Uitleg en verkondiging in dienst Oude of Sint Nicolaaskerk, Amsterdam, op 2 augustus 2026, de 7e zondag van de zomer
Schriftlezingen: Nehemia 9:15-20 en Mattheüs 14:13-21
Gemeente, hier verzameld rond Schrift en Tafel,
Het verhaal van de maaltijd rond Jezus, in de avond nadat hij uit de boot is gestapt en zijn heilzaam werk voor de velen heeft verricht, ontroert me bij herlezing telkens weer. De afgelegen plaats die in zijn aanwezigheid geen woestenij maar een veld, begroeid met zacht gras, blijkt te zijn (Mat. 14:15.19); zijn vertrouwen daarin dat het ánders kan dan dat ieder voor zich maar in het dorp voor zijn eigen eten moet zorgen (vs. 15); zijn al even vertrouwensvol appel aan de leerlingen: ‘geven jullie hun te eten’ (vs. 16); zijn rekenen met de goede gaven uit de hemel waar hij met zijn lofzegging een beroep op doet (vs. 19); zijn zekerheid dat delen vermenigvuldigen is volgens de wetten van het hemelse koninkrijk, en dat er niet alleen voldoende eten zal blijken te zijn tot verzadiging, maar zelfs nog een overschot (vs. 20): dáár leven we van!
De getallen in de vertelling, dat weer u wel, wijzen op het geheim van Israël. Vijf broden en twee vissen: zowel de boeken van Mozes als Mozes met de profeten (vs. 19). De twaalf manden vol overschot: de twaalf stammen, de kinderen van Jakob (vs. 20). Vijfduizend genieters van de maaltijd: nu een veelvoud van vijf, weer dat Mozes-getal (vs. 21). In het vervolg zal het een Kanaänitische vrouw zijn die Jezus dwingt, ook háár dochter van demonie te bevrijden en daarmee ook voor anderen dan de kinderen Israëls heilzaam beschikbaar te zijn (15:21-28). En dán is er opnieuw die wonderbaarlijke logica van delen dat vermenigvuldigen is, en nu met zeven broden, zeven manden met overschot en een getal van vierduizend (15:32-38): een veelvoud van het getal van de zeventig volkeren die er náár het getal van de zonen van Israël onder de hemel zijn (Deut. 32:8; Genesis 10), en van de vier windstreken waarheen de Mensenzoon zijn engelen zal heenzenden om zijn verkorenen te verzamelen (Mat. 24:31). Ook onze vreugde mag zich vermenigvuldigen met dít perspectief voor ogen!
Het lijkt vanmorgen louter licht. Wie dóórleest in het Mattheüsevangelie, zal bij voortgaande lezing weliswaar ook stuiten op grote schaduwen in dit licht. Vóór het eerste maaltijdverhaal gaat het over de moord op Johannes de Doper door Herodes, de viervorst van Galilea en Perea, die nu ook zijn oog op die Jezus laat vallen, die naar zijn indruk wel de uit de dood weer opgewekte Johannes moet zijn (14:2). En erná lezen we van twisten met farizeeën over de vraag waarin een zuiver leven nu eigenlijk bestaat (15:1-20). Onze roostermakers hebben ervoor gekozen, die schaduwzijde van Jezus grote mededeelzaamheid niet in een meer uitgebreide evangelielezing tot uitdrukking te laten komen, maar eerder in de éérste lezing, en dat is (althans bij Oudkatholieken en Protestanten) een lezing uit het geschrift Nehemia (Nechemjah).
In dit boek, dat een tweeluik vormt met het boek Ezra, vormen de hoofdstukken 8, 9 en 10 wel de climax. In hoofdstuk 8 roept Ezra, die zowel schrijver als priester is, het volk in de zevende maand samen om voor hun ogen de rol van de Wet van Mozes te openen en vanaf een verhoging in gedeelten aan hen voor te lezen. Dit stelt de tekst voor als een uniek gebeuren. Tijdens de ballingschap was de Tora-kennis verloren gegaan, en nu klinkt deze weer. Dat roept ontroering op en grote vreugde. Bij Mozes nu staat geschreven dat de Wet elk zevende jaar tijdens het Loofhuttenfeest publiekelijk voorgelezen moet worden (Deut. 31:10-13), en ook dat voorschrift was geheel onbekend. Nehemia, de organisator, regelt dan dat er loofhutten in elkaar worden gezet, waarin acht dagen lang de viering van het feest plaatsvindt. De kalender komt niet helemaal overeen met die, welke we uit de boeken van Mozes kennen, maar wat er wel op lijkt is een dag waarop een vasten geldt, en het volk gemeenschappelijk belijdenis doet van begane schuld – al heet deze dag hier dan niet een ‘grote verzoendag’. Er klinkt een lang gebed (Neh. 9:6-37), vermoedelijk door voorzangers tot klinken gebracht, en onder diepe buigingen – die doen denken aan de gebedshouding die we nu nog in een moskee waarnemen – wordt door het volk schuld op zich genomen. In hoofdstuk 10 volgt dan nog een derde stap: de woorden van Mozes hebben geklonken, schuld vanwege het niet-doen van deze woorden is beleden, en dan komt het tot een hernieuwing van het verbond met de ene en enige (Neh. 9:6) God. Een nieuw begin na die periode van jarenlange uitlandigheid is daarmee ingeluid.
Voor onze lezing zijn zes verzen uit het grote boete-gebed genomen, die beginnen en eindigen met een herinnering aan het manna uit de hemel dat Israël voedde tijdens de tocht door de woestijn (Neh. 9:15a.20b). De associatie met het wonderlijk-vermenigvuldige brood voor de menigten daar met Jezus aan de zee is duidelijk. Maar de strekking ervan is nauw met het belijden van schuld verbonden: er zijn de grote goddelijke weldaden: het brood uit de hemel, het water uit de rots en het beërven van het land van belofte (vs. 15), en dan (aan het slot van de passage) ook de wolkkolom overdag en de vuurzuil in de nacht die als gestalten van goddelijke leiding het volk vóórgingen bij de uittocht, en Gods goede geest die het inzicht gaf in de aard van de weg die het had te gaan (vs. 19.20). Daartegenover bekent het volk, namens het voorgeslacht, hoe ondankbaar het was jegens al die goede gaven: arrogant, hardnekkig, weigerend om te horen en wonderen miskennend, opstandig en zelfs bereid dan maar terug te gaan tot het slavenbestaan (vs. 16.17). Het dieptepunt was wel de aanbidding van het gegoten stierkalf alsof dát de God was die hen uit Egypte had uitgeleid (Ex. 32) – bij Mozes, profeten en geschriften steeds hét symbool van het verraad aan Mozes in de tijd van de koningen, die tot de ballingschap had geleid. Maar op die grote ontsporing volgde de voorspraak van Mozes, en de zelfbenoeming van de Bevrijder-God als ‘een God van vergeving, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot in vriendschap’ (vs. 17, vgl. Ex. 34:6). Zij verlieten de godheid, maar zij verliet hen niet (vs. 17.19). En op de herinnering dááraan doen de voorbidders hier een beroep.
Wat Nehemia, de organisator, hier als gesuggereerde medestander van de Schriftgeleerde Ezra ritueel vormgeeft, is een inspiratiebron geweest van de hervormers in de zestiende eeuw. Calvijn, door de stad Genève ingeschakeld om haar te helpen bij het zoeken naar een alternatief voor het bisschoppelijk bestuur, stelde in 1537 een plechtige vernieuwing van het verbond met de Eeuwige voor naar het voorbeeld van Nehemia 10.[i] En het was in de door de gereformeerde kerk gedomineerde Nederlandse Republiek heel gebruikelijk, dat de Staten-Generaal van tijd tot tijd een openbare dag van boetedoening uitriepen, als de natie weer eens in gevaar was. In de Zwitserse cantons is een door alle kerken gedragen ‘Buβ- und Bettag’ ook nu nog als een dag van bezinning voor álle eedgenoten gangbaar. Wij kunnen ons een dergelijk samengaan van publieke kerk en overheid in onze huidige pluriforme tijden niet meer voorstellen, en we verlangen daar ook niet naar terug. Dat wil niet zeggen dat de záák van een gemeenschappelijke bezinning en het zoeken naar publieke rituelen om ernstige ontsporingen uit het verleden recht te zetten niet ook nu nog aan de orde is. Vooral voor Nederland als postkoloniale maatschappij zijn er immers zaken te over: de omgang met de slavernij, als nazaten van plantagehouders en slaafgemaakten beiden; de verdrijving van de inheemse volkeren in Nieuw-Amsterdam; de omgang van de nog overgebleven veteranen van de koloniale oorlogen in Indonesië én de Indonesiërs van wie de voorouders aan de andere kant gevochten hebben; de verwerking van het kerkelijk racisme waarmee de zogenaamd gerepatrieerden geconfronteerd werden; nu ook, recentelijk, opnieuw de pijn van de Nederlandse beloften aan de Molukkers die alles behalve waargemaakt werden en het geweld dat daarvan dan weer het gevolg was, en zo verder. Maar we kennen ook zoveel andere terreinen: de kruistochten als last die drukt op de verhouding tot zowel de Joodse bevolking als de volkeren van het Nabije Oosten; de heksenvervolging als wrede mengeling van de verhouding van christendom en Germanendom én extreme vrouwenhaat; en, in deze dagen van Gay Pride opnieuw te bedenken, zij het nauwelijks in dit huis: de veroordeling en vervolging van zogenoemde sodomie, zeker nu bovenal een religieuze legitimatie voor een diepe angst, die nog altijd de wereld niet uit is.
Er hangt veel vanaf, op welke toon en langs welke weg dit alles ter sprake komt. De bekende opiniemaker Ian Buruma heeft er terecht op gewezen, dat het vertoog van de woke-beweging moeilijk te begrijpen is zonder de erfenis van het puritanisme in de Noord-Amerikaanse (witte) cultuur te kennen. Daar heb je toch die gereformeerden weer, de atmosfeer van morele scherpslijperij! Wat zuiver kan klinken als zelfbeschuldiging voor Gods aangezicht, kan giftig worden als het anderen als verwijt voor de voeten wordt geworpen. Bisschop Tutu was niet gereformeerd, en misschien daarom kon hij met zijn ‘waarheids- en verzoeningscommissie’ in Zuid-Afrika een andere weg gaan: niet onomstreden, maar misschien toch meer door een ‘goede geest’ geleid (vs. 20).
We zijn als gemeente niet in de Nehemia-achtige positie, het publieke debat te organiseren. Maar we kunnen als gemeenschap wel zoeken naar een zodanige vorm van onderlinge omgang met schuld en boete, dat het ook als zout in de samenleving om ons heen kan werken.
En daar komt de samenhang tussen de beide schriftlezingen van vanmorgen opnieuw in beeld. De evangelist Mattheüs heeft het motief van de vergeving der zonden, dat zijn voorganger Markus aan de doop had verbonden (Mar. 1:4), verplaatst naar de maaltijd op de avond voor Pesach, waar Jezus spreekt van ‘het bloed van het verbond, vergoten voor velen tot vergeving van zonden’ (Mat. 26:28) – wat in het vervolg allereerst met name op Judas van toepassing blijkt te zijn. Onze tafelviering benoemt terecht steeds weer de samenhang van brood en wijn met de vergeving van ons door onze Heer en dan ook de vergeving door ons van elkaar. Daarmee komen de ‘tafelgesprekken’ in de gemeenschap ook onder een bepaald voorteken te staan: we zetten elkaar niet vast in schuld, maar zoeken een weg waar aan de getroffenen recht geschiedt en wie iets misdaad heeft op een weg van ommekeer wordt gezet. En zo bidden wij, dat de gesprekken die aan de tafelgemeenschap ontspringen op een bepaalde wijze – en zeker niet meer op de dicterende wijze van vroeger dagen – ook het bonum commune, the common wealth, het gemenebest ten goede mogen komen.1823 In de naam v
[i] Joannis Calvini Opera Selecta I, 429 (in het voorwoord bij de Latijnse uitgave van een Catechismus van de Geneefse predikanten om de stadsbevolking met de hervormde leer vertrouwd te maken).