Het uur van het gebod. Lezingen van de incestverboden in Leviticus 18

H

Inleiding

Over Leviticus 18 heb ik niet eerder geschreven. Bij onze flikker-theologische coming-out maakten Franz Joseph Hirs en ik ons indertijd met een grapje af van het 22e vers. We schreven: ‘moeten we’ – gesteld voor de rechtbank van het Schriftbewijs – ‘(dan soms) uitroepen dat het ons ook gruwelijk lijkt om bij een man te liggen alsof we bij een vrouw lagen, terwijl we het toch zo lekker vinden om nu juist bij een mán te liggen?’ (Hirs/Reeling Brouwer 1985:8). En de wijze waarop ik voldeed aan een verzoek om vanuit eenzelfde benadering een actualiserend commentaar te geven in een Nederlandstalige editie van een internationaal bijbelcommentaar, wekte bij de uitgevers daarvan zoveel weerstand op dat ik tenslotte mijn naam als medewerker heb teruggetrokken (Internationaal Commentaar op de Bijbel I 2001:539). Ik kan de weerstand bij de redactie in zoverre ook wel begrijpen dat ik toen nog geen eigen theologisch-exegetische toegang tot de tekst had gevonden.

Deze afscheidsbundel voor Heleen Zorgdrager biedt een goede gelegenheid dit verzuim goed te maken. Dit temeer daar ik tijdens onze prachtige en intensieve gesprekken bij de begeleiding van het (in september 2024 voltooide) proefschriftproject van Carola Dahmen over ecofeministische theologie en dialectische theologie wel eens had laten doorschemeren dat ik het ordeningsdenken dat waakt voor ‘verwarring’ of ‘vermenging’ – expliciet in Lev. 18:23, maar impliciet ook in het Lied van de zeven dagen Gen. 1:1-2:3 – , dat doorgaans aan ‘die Priesterschrift’ wordt toegeschreven en dat in theologische genderstudies meestal op weinig instemming kan rekenen, ook voor onze huidige theologische bezinning niet voor geheel zinloos houd. Het wordt tijd, dat ik een en ander eens nader uitzoek en me ook op het laatstgenoemde punt nader verklaar.

De opbouw van de tekst(en)

Lev. 18:1-5 en 24-30 vormen een omlijsting van de verboden in de verzen 6-23. De aansporingen aan het begin waarschuwen tegen de praktijken als in Egypte (Israëls verleden) en in Kanaän (Israëls toekomst). Inzettingen (chuqqot) en rechtsbepalingen (misjpātīm) zijn in acht te nemen, op dit sociale veld in groter aantal dan waar ook in het oude nabije oosten. En het doel, als in de hele heiligheidswet Leviticus 17-26, luidt: ‘doet dit en gij zult léven!’ (5).

Dan volgen (7vv.) de verboden op het ‘onthullen van de naaktheid’, die van vader en moeder voorop. De uitdrukking klonk al in Genesis 9:22-27 bij het verhaal van Cham, de tweede zoon van Noach, vader van Egypte en ook van Kanaän (Gen. 10:6), die de naaktheid van zijn (dronken) vader onthulde, wat zijn beide broers zorgvuldig proberen toe te dekken (Milgrom 2008:1519; Deurloo 1998:80). Het mag dan in heel Genesis gaan om de ‘verwekkingen’ van mannetje en wijfje, maar dat betekent nog niet dat de ‘schaamten’ van man en vrouw verzelfstandigde aandacht verdienen. Wanneer dat wel gebeurt, geldt de vloek van Noach, die niet de zoon maar de kleinzoon, namelijk Kanaän treft (Gen. 9:15). Bij het incestverbod voor de moeder voegen zich dat voor stiefmoeder (8), zuster en halfzuster (9), kleindochter (10), stiefzuster (11), tantes (12-14), schoondochter (15), schoonzuster (16), stiefdochter en stiefkleindochter (17), met daarbij dat voor het ten huwelijk ‘nemen’ van de zuster van een vrouw (18).

Aanvullend gelden verboden op praktijken als het seksueel omgaan met een menstruerende vrouw (19) of met de vrouw van een volksgenoot (20), het geven van eigen zaad aan de Moloch (21), het liggen van mannen bij mannen (22), en seks met dieren door man of vrouw (23): er mag namelijk geen onreinheid ontstaan (19, 20, 23). De afsluiting blikt uitsluitend vooruit naar Kanaän (over Egypte gaat het niet meer). De waarschuwing is ook ecotheologisch interessant: bij verontreiniging, wanneer al het verbodene toch plaatsvindt, zal het land u ‘uitspuwen’: dat is al eerder gebeurd [noot 1], en het zal opnieuw gebeuren wanneer Israël Kanaän achternagaat (28). Inhumane praktijken bederven blijkbaar ook het land waarop de mens woont.

In Leviticus 20:9-21 komen goeddeels dezelfde verboden terug, maar nu naar het gezichtspunt van de bijbehorende strafbepaling (overzicht bij Milgrom:2008, 1743). De volgorde in de opsomming is door de ernst van de straf bepaald, van zwaar naar lichter: vanuit het algemeen gezichtspunt van ontering van vader en moeder (9) vernemen we van doodstraf (10-16) [noot 2], uitsluiting uit de gemeenschap (17-19) en kinderloosheid (20-21).

Endogamie

Deze teksten verzetten zich tegen endogamie, het aangaan van meerdere relaties binnen een nauwer of ruimer familieverband. Veel herinnert aan Genesisverhalen (Milgrom:1591), en geregeld doet zich daarbij voor dat Genesis lijkt toe te staan wat Leviticus verbiedt: denk bij 18:9 aan de verhouding van Abraham tot Sara als zijn zuster (Gen. 20:12), bij 18:15 aan Tamars poging haar schoonvader Juda tot een zwagerhuwelijk te pressen (Gen. 38) en bij 18:18 aan Jakobs aanvaarding van twee zusters als echtgenote ondanks de daarbij behorende rivaliteit (Gen. 30). De strategie van Rachel om Jakob een vrouw te laten zoeken in het huis van Laban, zijn oom, is duidelijk: Het huwelijk van Esau met een dochter van Chēt dreigt het eigene van het geloof van Abraham verloren te doen gaan (Gen. 27:41-28:5).

Ter wille van het ánders-zijn van dit geloof kan alleen endogamie helpen. Binnen de Torah houdt dit aan tot het compleet-zijn van de ‘zonen van Israël’ in Egypte (Ex. 1; Ex. 6). Blijkbaar treedt met het Sinaï-verbond [noot 3] een nieuwe situatie in: de benē jisrā’ēl (opschrift Lev. 18:1) moeten in hun anders-zijn nú een afstand nemen van endogamische praktijken, die met Kanaän zijn geassocieerd. Hoe we ons dat historisch zo kunnen voorstellen, is niet zo helder. De sterke nadruk op identiteit lijkt me het best voorstelbaar in de situatie vanaf Ezra en Nehemia, wanneer de volkeren van Kanaän inmiddels voor Juda als tastbare realiteit voornamelijk herinnering zijn geworden. Maar waarop duidt deze naam dan?

Rochus Zuurmond heeft, op een idee gebracht door waarnemingen van de antropoloog Lévi-Strauss, daartoe een suggestie gedaan. [noot 4] Incest en homoseksualiteit zijn vooral praktijken die gelden in een kasten- en standenmaatschappij [noot 5], waarbij (bijvoorbeeld in Egypte en Rome) de bovenlaag zich afsluit en zich daarbij een afwijkend gedrag toestaat dat aan het volk niet gegund is, en aan dat gedrag ook nog een vrijwel vergoddelijkte status toekent. Op 28 januari 1978 trof Zuurmond in De Volkskrant het volgende bericht aan:

‘Een Saoedi-Arabische prinses en haar echtgenoot zijn in Djedda aan de Rode Zee in het openbaar terechtgesteld. Gemeld werd dat bedienden en lijfwachten van prins Mohammed Bin Abdoel Aziz, grootvader van prinses Misja, haar en haar echtgenoot van niet adellijke komaf in de herfst van vorig jaar hebben geëxecuteerd omdat zij buiten de Saoedi-Arabische koninklijke familie was getrouwd.’

Dit bericht toont aan, dat incest in de semitische wereld in althans bepaalde hogere kringen (ook in 1978) nog steeds ‘voorschrift’ is. ‘Wellicht had de Torah exclusieve cohabiteerclubs als deze voor ogen’, schrijft Zuurmond, en ik (Rinse) moet onweerstaanbaar denken aan al die berichtgeving over onuitroeibare plat-manlijke uitingen binnen studentencorpora…

Leviticus 18:22: ‘Bij een man zul jij niet liggen zoals een man ligt bij een vrouw: een gruwel (afgodisch) is het’.

Milgrom (2008:2065-2070) leest het verbod op anale penetratie in het verlengde van de regulering bij zaadverlies als onreinheid in Lev. 15:16-18. De voortgang der geslachten van mannetje en wijfje staat nu eenmaal centraal. In een persoonlijk advies binnen de joodse gemeenschap (1785-1790) voegt hij daaraan toe: het probleem in onze tijd is niet gebrek aan nageslacht, maar overbevolking. Verder geldt het gebod nadrukkelijk alleen voor joodse mannen die op het land van Israël wonen. Een, in de traditie niet voorziene, mogelijkheid zou zijn, wanneer manlijke koppels (van vrouwelijke spreekt de Torah niet) adoptie zouden overwegen. Ook zij kunnen dan een ’ādām zijn, die op eigen wijze toenaderingsgaven tot JHWH komt brengen (Lev. 1:2).

Marquardt (1993:301-304) stelt homoseksualiteit aan de orde in verband met het (noachitische) verbod op ontucht. Hij onderkent de halachische traditie die er een ongeoorloofde ‘vermenging’ van mannelijk en vrouwelijk in ziet. En net als Milgrom ziet hij er vooral een probleem voor een joodse homo in: deze belichaamt een fundamenteel ‘nee’ in de anti-heidense joodse leer, vergelijkbaar met de jood die met zijn protest tegen het christendom dat de mens Jezus te dicht bij de ene en enige godheid plaatst evenzeer een ‘nee’ belichaamt. Ik heb er met Marquardt over gesproken dat hij hiermee mannen die zowel jood als gay zijn wel enorm belast, en hij onderkende zelf ook wel dit bezwaar tegen deze duidingspoging [noot 6]. Zuurmond spreekt hier van het oprichten van een binnengrens voor de endogamie: een bepaling als deze moet de intensieve viering van de eigen stand een halt toeroepen.

Leviticus 18:23: ‘Geen enkel huisdier zult ge uw bijligging geven, zodat onreinheid (ontstaat). En een vrouw zal niet gaan staan voor een huisdier om haar neer te leggen; dat is geknoei.’

Onrein-zijn (thāmē‘) brengt een stilstand in het gebod-ten-leven; geknoei, verwarring (tèbèl) haalt door elkaar wat in het geschapene uiteen ligt, zoals uit meerdere bepalingen in de Torah blijkt [noot 7]. Zoals aangekondigd beperk ik me hier tot het motief van de verwarring. Een biblicistisch moralisme zal dit in de huidige situatie als wapen inzetten tegen bijvoorbeeld transgender- of non-binaire personen. Ik wil me er echter vanwege zulk gevaarlijk misbruik niet te snel van distantiëren. Om een actueel voorbeeld te noemen: toen ‘intersectionaliteit’ opkwam als analysemiddel waarmee zichtbaar werd dat bijvoorbeeld klasse en (geconstrueerd) ras op elkaar kunnen inwerken en verdrukkingsmechanismen verdubbelen, was dat leerzaam. Maar als deze categorie van een analytische tot een politieke term wordt gemaakt, krijg ik er moeite mee. Ik loop dan mee met een demonstratie voor goede klimaatpolitiek en moet opeens Hamasleuzen (‘From the river to the sea…’) scanderen omdat we nu eenmaal weten dat uiteindelijk hetzelfde systeem álle verdrukking schept. Dat lijkt me een miskenning van het wezen van de politiek in deze wereldtijd – waar altijd voorlopige beslissingen aan de orde zijn, die nooit te bezien zijn zonder ook hun schaduwzijde te onderkennen – en uiteindelijk uitdrukking van een totaliserende, welhaast totalitaire denkwijze, die het ‘onderscheiden’ verzuimt.

Op meer fundamenteel niveau: het is geen toeval dat de definitie van Chalcedon in 451 zich ter wille van het messiaanse verstaan van de Schriften zowel afgrenst van vermenging en verandering van Godheid en mensheid – dat is hier dus aan de orde – als tegen deling en scheiding van beiden. Het gaat dus niet aan de ene afgrenzing, die van vermenging, te elimineren, omdat dan als vanzelf de andere (die van scheiding) in de lucht blijft hangen. Beter dan een van beide polen te schrappen is het daarom, een dialectiek voor ogen te houden waarin beide polen op hun eigen beurt, op hun eigen plaats ter sprake komen. Om terug te keren naar Leviticus 18: dit hoofdstuk waarschuwt tegen de incestueuze consequenties van endogamie vanwege bittere ervaringen met arrogant gedrag van elites, maar we lezen ook hoe Genesis Esau met zijn spontane keuze voor exogamie afwijst omdat deze leidt tot onverschilligheid tegenover zijn roeping: ‘ik ga toch dood, wat moet ik met eerstelingschap!’ (Gen. 25:32; vgl. 1 Kor. 15:32). Beide keuzes keren zich tegen een gaan op de weg van de volkeren, al zijn ze feitelijk diametraal tegengesteld. In een dergelijke dialectiek, je dan weer naar deze en dan weer naar gene zijde afgrenzend, beweeg je je op de weg van de Torah.

Conclusie

JHWH ‘heeft aan Mozes zijn wegen bekend gemaakt’ (Ps. 103:7). Daarom wijst de Torah ‘de weg van de rechtvaardigen’ (Ps. 1:6), door hen geboden voor te houden met als strekking: ‘doet dit en gij zult leven’ (Lev. 18:5). Die geboden kunnen concreet tot uiteenlopende, ja tegenstrijdige afgrenzingen leiden. Zo beweegt de Torah zich tussen waarschuwingen voor exogamie (Gen. 25-27) en voor endogamie (Lev. 18:6-23) die, als het om een eenduidig moreel stelsel zou gaan, niet te harmoniseren zijn.

Ter typering van deze beweeglijkheid heb ik als titel boven deze bijdrage geplaatst: ‘het uur van het gebod’. Deze bevat uiteraard een zinspeling op de uitdrukking van het ‘Gebot der Stunde’, dat op niet-legalistische wijze de contextualiteit van alle geboden in rekening wil brengen en dat benadrukt dat veranderende situaties telkens om nieuwe formuleringen vragen. Dit is juist, maar het is ook wat onbevredigend, omdat het onvoldoende in rekening brengt dat het ‘Mozes’ is die als dienaar van JHWH de leiding neemt in het gebod. Het gaat om een weg van vrijheid, waarin de Bevrijder het initiatief heeft. Vandaar de omkering, waarbij de gebiedende God intervenieert in het ‘uur’, en met zijn gebod ook de tijd verzet. Zó gaat hij zowel in de ene richting de nihilistische houding te lijf die op naam staat van Esau, als in de andere richting de corpsballerige arrogantie die hier op naam staat van Kanaän. Het is aan de hoorder, dit beweeglijke gebieden te volgen en deel te nemen aan de interventie in deze, onze ‘ure’.

Noten

1 De verzen 25-27 kunnen een glosse zijn om het perfectum ‘zoals het heeft uitgespuugd’ van vers 28 te verklaren.

2 Crüsemann (1992:304) suggereert dat de enorme opeenhoping hier, die in spanning staan met het uitgangspunt dat het gebod ten leven gegeven is, kan hebben bijgedragen aan de uiterste terughoudendheid inzake het praktiseren van de doodstraf bij de latere rabbijnen.

3 De bepalingen in Leviticus klinken enerzijds vanuit de Tent der ontmoeting, op een zekere afstand van het legerkamp (Lev. 1:1; Ex. 33:7), maar tegelijk toch ook ‘op de berg Sinaï’ (Lev. 7:38, 25:1 e.d.).

4 De Leviticus-ordner in het Archief Zuurmond bevat a) notities, opgesteld tussen 08-09-1974 en 30-03-1975, voor voorgangers die in hun gemeente een reeks radio-kerkdiensten van de IKOR volgen waarbij teksten van Exodus 40 tot en met (op Paaszondag) Numeri 9 aan de orde zijn; b) maandelijkse gestencilde aantekeningen voor deelnemers aan het leerhuis te Delft tussen 04-09-1977 en 02-04-1978.

5 Mijn voorgeslacht van vaderszijde was eveneens door endogamie gekenmerkt. Mijn grootmoeder behoorde tot de Friese adel, die het grondbezit binnen de stand hield door alleen intern te huwen, en toen dat te beperkt werd het bereik uitbreidde met leden van het Friese patriciaat, zoals mijn grootvader. Mijn vader heeft nogal aan deze achtergrond geleden. Van een seksualisering van het verschijnsel is mij trouwens niets overgeleverd (wel van al dan niet vermeende biologische degeneratie, als argument tegen endogamie aan de Bijbel trouwens onbekend).

6Vermeld zij nog, dat Bruce Wells (2020) het vers anders vertaalt, namelijk als: ‘je zult niet bij een man liggen op de bedden van een vrouw’, dat wil zeggen: in een ruimte binnen de behuizing van de familie waar een vrouw het voor het zeggen heeft en dus bepaalt welke mannen daar kunnen worden toegelaten. Die vrouwen zijn dan niet zomaar alleen eigendom van hun echtgenoot maar hebben binnen hun territorium ook een eigen bevoegdheid.

7 Bijv. het paren van verschillende diersoorten, het dooreen-zaaien van verschillende gewassen en het maken van één gewaad uit twee stoffen (Lev. 19:19) of travestie en ezel-en-os samen voor één kar spannen (Deut. 22:5.10).

Abstract

De incest prohibitions in Leviticus 18 (with an accompanying list of penalties for incest in Lev. 20) show a severity toward endogamy that is at odds with the practices of the patriarchs and matriarchs in the Book of Genesis. One reason for this may lie in criticized behavior among closed elites (Zuurmond). Various approaches of the prohibition of same-sex sex in Lev. 18:22 are reviewed (Milgrom, Marquardt, Wells). This is followed by an exploration of the motif of tèbèl (‘confusion’) in verse 23. The contribution concludes with a characterization of the intervening commandment that seeks to control time.

Keywords

Heiligheidswet – Leviticus – Incestverboden – Vervloeking van Kanaän – Endogamie/Exogamie – Gelijkgeslachtelijke seks – Ordeningsdenken – Gebot der Stunde

Bibliografie

  • Crüsemann, Frank (1992), Die Tora. Theologie und Sozialgeschichte des alttestamentlichen Gesetzes, München: Chr. Kaiser.
  • Deurloo, Karel (1998), Genesis. Verklaring van een bijbelgedeelte, Kok: Kampen.
  • Eynikel, Erik, Noord, Ed, Baarda, Tjitze and Debaux, Adelbert, eds. (2001), Internationaal Commentaar op de Bijbel. Band 1, Kampen: Kok / uitgeverij Averbode.
  • Hirs, Franz Joseph en Reeling Brouwer, Rinse (1985), De verlossing van ons lichaam. Tegen natuurlijke theologie, ’s Gravenhage: Boekencentrum.
  • Marquardt, Friedrich-Wilhelm (1993), Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie Band I, Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus.
  • Milgrom, Jacob (2008) Leviticus 17-22. A New Translation, with Introduction and Commentary. The Anchor Yale Bible, New Haven and London: first Yale University.
  • Wells, Bruce (2020), ‘On the Body of a Woman: The Leviticus Texts on Same-Sex Relations Reconsidered’. In Sexuality and Law in the Torah edited by Hilary Lipka and Bruce Wells, London / New York NY: T&T Clark, 123-158.
  • Zuurmond, Rochus (1974-1978), ordner ‘Leviticus’. Archief R. Zuurmond, in beheer bij dr. Marco Visser, postdoc bij de PThU.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie