In de Koude Oorlogsjaren was het mij onmogelijk een visum voor de Verenigde Staten te ontvangen. Ik bezocht namelijk bijeenkomsten van de Christelijke Vredesconferentie in landen van het ‘Reëel Bestaande Socialisme’ en dat was in mijn paspoort te zien. Of ik in de huidige, nog veel duisterder, tijden de VS binnen zou komen, valt te bezien. Des te dierbaarder zijn mij de herinneringen aan de jaren 1999-2022, waarin ik als onderdeel van de staf van de Theologische Universiteit Kampen (respectievelijk de PThU) deelnam aan de intensieve theologische gedachtewisseling met het Center for Barth Studies (CBS) aan het Princeton Theological Seminary (PTS).
Ontwikkelingen vanaf 1962
Karl Barth bezocht de VS meteen na zijn definitieve emeritaat in april-mei 1962. Zijn zoon Markus, toen hoogleraar Nieuwe Testament in Chicago, leidde hem in alle windrichtingen door de het land, waarbij hij colleges gaf, aan fora deelnam, ontmoetingen had (zoals met Martin Luther King), gevangenissen bezocht (die hij, zelf immers gevangenispastor, met grote afschuw en betrokkenheid bezag), de natuur bewonderde en slagvelden van de burgeroorlog bezocht (zijn grote liefhebberij).[i] Tot dan toe was de verhouding van kerk en theologie in de VS tot hem overwegend gereserveerd. De conservatieve zijde wantrouwde zijn schriftleer, de liberaal-theologische elite (in meerdere gradaties) vreesde bij hem een isolement van wetenschap en cultuur en verweet hem daarbij een gebrek aan antropologisch optimisme. Mede door zijn bezoek verschoof er wel het een en ander. Evangelicalen waren verrast door de spontane Jezus-aanhankelijkheid die hij toonde. En zwarte theologen (James Cone zou in 1965 zijn masterthesis over hem schrijven) bespeurden bij hem meer aan maatschappelijk engagement dan bij veel andere leidende naoorlogse theologen.
De theologische ontwikkeling binnen de States in de jaren daarna leidde tot toegangen van nog weer een ander type. Vooral de zg. post-liberale New Yale School is hier van belang. Hans Frei liet zien waarom het Christusgetuigenis zich niet van de narrativiteit van de schriften kan losmaken, George Lindbeck dat er een tertium nodig is tegenover propositionele leer-stelligheid en op ervaring bouwende expressiviteit, en Kathryn Tanner dat een meer zelfstandige theologische toegang nodig is tot de cultuur. En daarbij is er de unieke stem van Stanley Hauerwas, die al jaren roept dat de vereenzelviging van Christendom en Amerikaanse cultuur een ramp voor de kerk is, en die de nu alom bedreven aanbidding van Donald Trump eens te meer voor regelrechte afgoderij houdt.[ii] Bij de meeste van deze theologen is ook een besef van een met de Romana gedeeld inzicht te vinden, dat eveneens bijdraagt aan een veranderd theologisch landschap.
De oprichting van CBS
Zowel de politiek-culturele als de theologische ontwikkelingen brachten Markus Barth in zijn latere jaren – hij stierf in 1994 te Bazel – tot de overtuiging dat er een centrale plaats nodig was van waaruit de studie van het werk van zijn vader in de VS kon worden gestimuleerd en gecoördineerd. Hij reisde rond langs vele seminaries, maar ving telkens bot. Toen ervoer hij, hoe Bruce L. McCormack zowel in Zwitserland als in Princeton aan het werk was met zijn studie, waarin hij een visie op de ontwikkelingsgang van Barth presenteerde die afweek van de tot dan toe meest invloedrijke, die van Hans Urs von Balthasar (uit 1951).[iii] Dat boek zou een overweldigende ontvangst kennen (George Steiner in de Times Literary Supplement), maar Markus Barth had het daarvóór al door: Princeton Theological Seminary moest de plaats worden voor een centrum van Barth-studie. En dat gebeurde ook. De leiding van PTS stemde in met de instelling van CBS, en George Hunsinger werd daarvan in de jaren 1997-2001 de eerste directeur – in de jaren daarna voorzitter van de invloedrijke Karl Barth Society of North America. Hunsinger was een leerling van Hans Frei, die de denkvorm, zichtbaar aan wat hij noemde ‘het chalcedonensisch patroon’ in de Kirchliche Dogmatik, nauwkeurig in kaart bracht, eerder de studie van Marquardt naar Barths socialisme voor Amerikaans publiek toegankelijk had gemaakt en zich daarbij een taaie strijder toont tegen praktijken van marteling – in deze dagen van ICE-terreur nodiger dan ooit.
Gerrit Neven had onmiddellijk de juiste neus voor het belang van wat hier aan het ontstaan was. Al in 1995 nodigde hij McCormack uit voor een symposium bij het tienjarig bestaan van de Zeitschrift für dialektische Theologie, en bij die gelegenheid heb ik deze ook voor de eerste maal ontmoet. In 1999 trokken we met een viertal deelnemers naar Princeton voor een gezamenlijke consultatie, nog erg onwennig en ongepast gekleed naar de mores van onze toenmalige gastvrouwe, het Center for Theological Inquiry. Maar we voelden aan alles, dat we getuige waren van een opkomende beweging, een nieuw ontwaakte belangstelling voor Barths theologie als juist op dat ogenblik in de Amerikaanse geschiedenis hoognodig (ondanks onderlinge verschillen die óók aan het licht kwamen[iv]).
PTS is opgericht door de presbyterianen (in het merendeel van Schotse herkomst) en ligt (zolang dat nog financierbaar is) op een Campusterrein vlak naast Princeton University, waarmee het in oorsprong nauw verbonden is. Vooral Charles Hodge gaf er in de latere 19e eeuw een orthodox-calvinistisch stempel aan, dat ook de Nederlandse neocalvinisten trok. Later bevorderde Edward A. Dowey (promotor van Mc. Cormack) een ontwikkeling waarin het belijden een nieuwe vorm kreeg (1967). Omdat de studie van Dowey naar de (tweevoudige) Godskennis bij Calvijn een belangrijke rol speelt in de Calvijnstudie van Breukelman, die ik in die dagen aan het bezorgen was, was het een geweldige kans om Dowey (1918-2003), op voorspraak van McCormack, bij ons bezoek in 1999 te kunnen spreken, nog net! Zijn opvolger als dogmaticus, Daniel Migliore, heeft zijn werk op een creatieve en talige wijze voorgezet en meerdere generaties van studenten en predikanten dogmatisch bij de les gehouden. Hij nam ook meermaals deel aan de in totaal acht gezamenlijk consultaties van Barth-onderzoekers die we tot 2018 hebben belegd, en waar telkens een bepaalde locus uit de KD vanuit nieuwere vraagstellingen werd herlezen. Ik heb er enorm veel van geleerd, grote gastvrijheid ervaren (ondergebracht in het logies voor de nascholing) en er ook veel theologische makkers (m/v) aan overgehouden.[v]
Activiteiten en verschuivingen
In de jaren 1984-1992 publiceerde Markus Wildi, werkzaam bij de Kantonsbibliotheek Aarau, samen met het Barth Archiv in Bazel een complete bibliografie van alle publicaties van, en vervolgens ook over Barth, uiteraard tot aan dat moment verschenen. Na voltooide arbeid werd Wildi ontslagen, en vestigde zich op een boerderijtje in Bourgondië. Een delegatie van PTS bij hem, of het de bibliografische gegevens mocht overnemen. Maar Wildi was als linkse Europeaan nogal anti-Amerikaans en zei: ‘in mijn ogen zie je geen dollartekens’. Kort daarop verscheen Gerrit Neven in een Renault met twee assistenten, sloeg een tentje op in de tuin, en kreeg bij de haard al gauw te horen: ‘aan Kampen gun ik de gegevens wel’. Kampen alleen kon dat weer niet betalen. Het liep eropuit, dat ThUK en PTS samen een database opzetten, waarin alle gegevens van Wildi zijn gedigitaliseerd en vervolgens ook via een wereldwijd netwerk van correspondenten worden aangevuld met recente vertalingen van en publicaties over Barth.[vi] CBS heeft ondertussen vrijwel alle door Wildi genoemde publicaties zelf aangeschaft, als onderdeel van de prachtige bibliotheek van PTS. Ook kan het met enige hulp digitale versies van vele teksten uit het Bazelse archief ter beschikking stellen. Daarnaast biedt het ruimte aan tal van leesgroepen, de jaarlijkse Barth Conference (laatstelijk over het gevangeniswezen!) en een vertaalgroep die onder meer de Bromiley-vertaling van de KD poogt te verbeteren. McCormack was altijd wat huiverig voor te veel ruimte aan een postmoderne Barth-lezing – hij verzocht Neven daarop ook zijn samenwerking met Graham Ward, die meer op de ‘Radical Orthodoxy’ georiënteerd was, terug te brengen –, maar in de tot voor kort frequent verschijnende (door de huidige directeur Kaitlyn Dugan uitgegeven) nieuwsbrief van CBS is er alle ruimte voor bijvoorbeeld postkoloniale Barth-lezingen.
Welke ruimte er voor dergelijke gezichtspunten blijft onder de zo-goed-als-dictatuur die de VS nu zijn? Bruce McCormack, die tijdens de eerst regeringstermijn van Trump (vooral tijdens de incompetent aangepakte Coronacrisis) tot zijn opluchting een studieverlof in Europa doorbracht, is inmiddels aangesteld als hoogleraar Modern Theology in Aberdeen; terug naar de Schotse wortels, kan hij nu in gesprek met studenten doorschrijven aan zijn grote trilogie waarvan hij in 2021 het eerste deel (over de kenosis in de christologie) uitbracht. Zijn opvolgster Hanna Reichel, de huidige bekleder van de Charles Hodge Chair – die quasi moeiteloos Heidelberger Catechismus en Queer Theology onderling in verbinding brengt –, toont zich niet erg bezorgd dat de aanval van de Trump Administration op de universiteiten ook PTS zal treffen, omdat dit leeft bij gelden van alumni en kerken en niet van regeringsbudgetten. Ik help het haar hopen, maar ik zal er intens om moeten helpen bidden.
Rinse Reeling Brouwer
[i] Enige documentatie is te vinden in Band IV/1995 van de Karl Barth Gesamtausgabe.
[ii] Aangekondigd is een monografie van Keith L. Johnson (Wheaton) naar ‘Karl Barth and the challenge of Christian nationalism’.
[iii] Bruce L. McCormack, Karl Barth’s Critically Realistic Dialectical Theology, Its Genesis and Development 1909-1936, Oxford University Press, 1995.
[iv] Vgl. mijn bijdrage in De weerbarstige Barth, Utrecht 2019, 184.
[v] De op de consultaties gehouden voordrachten zijn gepubliceerd in de Zeitschrift für dialektische Theologie (metSupplement Series), die van de derde bij Peter Lang in Bern (2005).
[vi] Pas bij het afscheid van McCormack in juni 2022 werd mij duidelijk, hoezeer van PTS-zijde de inbreng van Kampen bij de opbouw van CBS is gewaardeerd.