De theoloog Miskotte voordat hij de ons bekende theoloog Miskotte was
Waar bevond K.H. Miskotte zich in zijn Kortgeense jaren op het veld van de theologie als discipline?
Rinse Reeling Brouwer
Amsterdam
r.reeling.brouwer@hccnet.nl
The pastoral practice of K.H. Miskotte as a minister in Kortgene (Zealand) 1921-1925 has been well researched, but his position on the field of academical theology during those years has been less studied. This position can be analysed based on the critical remarks he made in his contributions to the comprehensive bibliography of J.H. Gunning Jr., as edited by Gunning’s son. The present article discusses the following critical points: (1) Gunning’s excessive glorification of the Old Testament, (2) his ignorance of the contribution of the ‘Religionsgeschichtliche Schule’ to the knowledge of the context of the New Testament, (3) his neglecting the Neo-Kantian epistemological criticism as well as (4) the consequences of distinguishing ontological judgments and judgments of value, (5) his unclearness concerning the foundation of his theological ethics, (6) his uncertainty in assessing the relationship of faith and history and (7) his conservative conclusions from his, as such interesting, thinking about the relationship of particularity and universality. The article ends with a localization of these issues in history of theology, and especially the issue of the appreciation of the theology of A. Ritschl by Gunning and Miskotte.
Keywords: Ethische theologie, Religionsgeschichtliche Schule, Badens neokantianisme, theologische fundering ethiek, geloof en geschiedenis, particulariteit en universaliteit
Inleiding [1]
Uit het Gemeenteblaadje kennen we de jonge predikant Miskotte in de pastorie te Kortgene. [2] We weten van zijn voorlichting, zijn beschavingswerk, zijn persoonlijke noden en ook de geloofsthema’s die hij met de gemeente deelde. Maar waar bevond hij zich in de jaren 1921-1925 op het veld van de theologie als discipline? Informatie daarover kunnen we afleiden uit zijn verhouding tot J.H. Gunning, zoals die blijkt uit zijn bijdragen aan het bibliografisch overzicht Prof. dr. J.H. Gunning, Leven en Werken, na het overlijden van Gunning uitgegeven door diens zoon J.H. Gunning J.Hz., predikant te Serooskerke op Walcheren. Miskotte droeg daaraan bij met een Praeludium en tien schetsen bij de in deze bibliografie vermelde teksten van Gunning. [3] Daarnaast zijn er de dagboekaantekeningen uit die jaren. [4] Ik kan hier niet uitvoerig bespreken hoe Miskotte Gunning weergeeft, maar beperk me tot een selectie van kritische opmerkingen in Gunnings richting waartoe hij zich genoopt achtte, die getuigen van een scherpe geest, zonder overigens ooit in mindering te komen op een blijvende bewondering, zo niet verering voor de meester. In een zevental paragrafen leg ik daarbij verschillende van zulke kritische overwegingen aan de lezer voor, om af te sluiten met een theologiehistorische notitie.
Onkritische exegese
De Blikken in de Openbaring acht Miskotte een hoofdwerk van Gunning.
“Betrekkelijk onverwacht beklimt hij de helling van zijn eigen mogelijkheden en stil-triomfant bereikt hij de hoogste toppen. Een ontzaglijke geestesactiviteit moeten wij veronderstellen in de laatste tijd te Hilversum en de eerste Haagse jaren. Gunning moet behoord hebben tot die zielen die altijd werken aan de grondvragen, die zonder onderbreken, zodra ze ’s morgens opgestaan zijn en wellicht reeds eerder, het kleine en grote van de werkelijkheid stellen in kosmisch verband, die door geen periferie kunnen geboeid worden, wier aard en roeping instinctmatig altijd weer in kortst mogelijke tijd en met krachtigste aanvatting naar de kern grijpen.”[5]
Niettemin, ter afsluiting van de bespreking van Blikken I (1866), dat over de Schrift, de kenleer, de schepping en God als Schepper handelt, kortom Prolegomena biedt, schrijft Miskotte terugblikkend op het vijfde hoofdstuk daaruit: ‘Zwak is de verdediging en verheerlijking van het Oude Testament als principieel één met het Nieuwe. Daarbij merken wij een onkritische exegese, waar wij er beter het zwijgen toe doen’. [6] En bij het ‘Besluit’ van het vierde boek, dat volgens Miskotte ‘een krachtige samenvatting wil zijn van wat exegese en biblica van het Nieuwe Testament Gunning hadden gebracht aan klaarheid omtrent de geledingen van de christelijke heilsopenbaring’ [7], prijst hij eerst de ‘innige, zuiver-stichtelijke toon’ waarop Gunning het ‘Jezus alléén’ belijdt, maar betreurt vervolgens dat hij weer afstand doet van die innige toon door te willen verklaren ‘hoe het te verstaan is dat Jezus in elke letter van het Oude Testament te vinden is’ [8]. Gunning doet dat, naar ik meen, in een genuanceerde beschouwing, waarin hij aangeeft dat het niet allegorisch en niet te vroeg moet gebeuren, zonder dat ‘eerst het geloof in het vleesgeworden Woord ons oog voor Gods neerbuigende, indalende liefde geopend moet hebben’ om dit (als strekking van het Oude Testament) te onderkennen. [9] Het kan de goedkeuring van de jonge Miskotte niet wegdragen. Acht hij dan alleen een lijn in de omgekeerde richting, namelijk van Israëls profeten naar Jezus als ‘meer dan profeet’, zoals in het Gemeenteblaadje, toelaatbaar? [10] Hoe dan ook: de auteur van Als de goden zwijgen, die immers als enige dogmatische veronderstelling bij een overigens fenomenologisch gehouden beschouwing over de zin van het Oude Testament ‘de leer van de tijd (afgelezen aan de Godstijd der incarnatie)’ aanvoert, [11] is hier nog ver weg.
Religionsgeschichtliche Schule
De bespreking van Gunnings afsluitende deel Blikken in de Openbaring IV (1869) zet Miskotte in met een beschouwing over het ‘verouderd’ karakter van dat boek. ‘Slechts een zeer gering deel schijnt nog houdbaar’.
“Gunning heeft niet kunnen meemaken de ingrijpende studie van de achtergrond van het Nieuwe Testament. De historische bepaaldheid van de grote Christuswoorden en de apostolische uitspraken aanvaardde hij natuurlijk in abstracto, maar iets geheel anders is het nog de antieke cultuur, haar wereldbeeld, haar mystagogische wijsheid, haar levensgevoel concreet te zien afgedrukt in de taal, de symbolen, de begrippen van het Nieuwe Testament. Enerzijds wordt daardoor het Nieuwe Testament veel rijker en wijder, want in menige verenkelde uitspraak vinden wij nu een onuitgesproken oppositie tegen de overgeleverde religie, een verinnerlijking van alom-gevierde culten, een synthese van hellenistische aspiraties, maar anderzijds worden wij daardoor veel zelfstandiger tegenover de gedachtewereld van het Nieuwe Testament gesteld, omdat wij ons bewust worden een geheel ander wereldbeeld te bezitten en een geheel andere toon van leven en verlangen. (…) Maar met dit inzicht in het hoogst-innige verband tussen het nieuwtestamentische getuigenis en de religiositeit van zowel joods als hellenistisch syncretisme, verkrijgen wij ook het besef dat nooit ofte nimmer de religie zich openbaart dan in en door de vormen van het cultuurleven. (…) Zoals Jezus niet de enige Leraar van de apostelen blijkt, maar Gamaliël en de Stoïcijnen, Philo en de Orphische mysteriën voor hen vormende factoren zijn geworden op directe of indirecte wijze, zo is de nieuwtestamentische Schrift en haar gezag voor ons niet de enige religieuze onderwijzing, maar velerlei andere waarden van elders doen in ons geestesleven mee.”[12]
Dit betoog doet vermoeden dat de jonge predikant enthousiast studie maakte van het werk van de ‘religionsgeschichtliche Schule’. In zijn bibliotheek vinden we daarvan echter geen bevestiging – dat gingen we na – [13], en ook niet in zijn eigen Bijbelstudies. [14] Was het hier een moment van jeugdige intellectuele bluf, die overstemde wat hij van de stichtelijke schriftuitleg van de ethische theologen had geërfd?
Fatale vermenging
Bij de bespreking van Blikken in de Openbaring III (1868), een ‘antroposofie’ die Miskotte hogelijk prijst, komt hij meermaals te spreken over de onzuivere vermenging van mythologie en wijsbegeerte, die hij vooral in Gunnings veelvuldige oriëntatie op de Zuid-Duitse theosofen wraakt. Een voorbeeld. Wanneer Gunning schrijft: ‘Toen God sprak: laat Ons mensen maken naar ons beeld [Gen. 1:26], toen was dit geen bloot-tijdelijk besluit, maar de openbaring van een eeuwige gedachte, de eeuwige raad Gods’, plaatst Miskotte daarbij de volgende voetnoot:
“Dit citaat is een duidelijk staal van de fatale vermenging, in Gunnings wijze en diepe geschriften telkens op te merken, van mythologie en wijsbegeerte. Of men verwerpt metafysische uitspraken over de wording van de dingen, maar spreekt dan onder zuiver, praktisch-religieus gezichtspunt, of men waagt metafysische uitspraken, maar dan in wijsgerig-gelouterde taal en wellicht soms daarboven uit in het mythische gedicht. Heel de verwarring van de talen hier is openbaar in deze woorden: ‘geen bloot-tijdelijk besluit’. Wijsgerig gesproken is noch een rondweg-tijdelijk noch een minder rondweg-tijdelijk besluit van de Eeuwige denkbaar. Beeldend gesproken echter kan men zeer wel het ‘Besluit’ handhaven, maar dan zijn alle excuses overbodig en is het ‘niet bloot tijdelijke’ juist het intellectualistische verknoeien van de levende mythe.”[15]
Hiermee sluit Miskotte in feite een centrale gereformeerde notie buiten de samenhang van de dogmatische en metafysische bezinning. En wel die van het eeuwig besluit als interna voluntatis divinitatis actio [innerlijke daad van de goddelijke wil] (waarvoor decretum niet de meest gelukkige term is, vond Calvijn al [16]), waar Gunning een bijgestelde formulering van die notie inzette tegen de deterministische opvatting van dat decretum in de moderne theologie van J.H. Scholten. Later zal Miskotte juist van die ‘dankenswaardige inconsistentie’ in het gereformeerde leergebouw, zoals Barth het noemt [17], verrukt spreken: deze God is een verkiezende God, dat wil zeggen: deze heeft in eeuwigheid nooit anders gekozen dan voor deze ene mens. ‘Hij die wij onze broeder mogen noemen, woont zelve als verkorene “in de schoot des Vaders” [Joh. 1:18]’![18] En bovendien zal hij dan met Rosenzweig dit antropomorfe spreken van God leren waarderen.[19] Maar in 1923 vervulde het toelaten in de denkarbeid van de kerkelijke leer van een antropomorfe voorstelling als die van een God die een ‘besluit’ neemt hem nog van intellectuele schaamte.
Zijns- en waardeoordeel
In een lezing te Wuppertal over ‘Die objective Wahrheit des Gemeindebekenntnisses’ (1878) pleit Gunning voor het eigen kenniskarakter van de geloofszekerheid, die zich niet door het moderne natuurwetenschappelijk wereldbeeld moet laten overwoekeren. ‘Waar geen Godskennis meer mogelijk is, enkel kennis van de Godsbeleving, waar men steeds van het zijns-oordeel retireert op het waarde-oordeel, daar is ook het recht van de theologie een eigen, zelfstandige wetenschap te zijn, vervallen’.[20] Miskotte vraagt zich af of hier geen sprake is van een misverstand bij de herontdekking van Kant in de latere 19e eeuw.
“Hier is niet een abdicatie tegenover de natuurwetenschap, maar de toepassing van het inzicht in de grenzen van onze logische kennis op het gebied van de theologie, een toepassing die gepaard gaat met de erkenning van hogere irrationele waarden. Ik geloof niet dat Gunning de strekking van het criticisme heeft verstaan.” [21]
In een later geschrift, waarover ik nog te spreken kom, heet het op vergelijkbare wijze: ‘Wij, in de termen van de kritische wijsbegeerte, zouden hier tegenover elkaar stellen: “werkelijkheid” en “waarde”, en inderdaad’ – al waren ‘er in Gunnings tijd nog slechts flauwe tekens te zien’ – ‘is er de strekking in onze tijd het waarde-bewustzijn te veronachtzamen’.[22] Verhelderend is hierbij een dagboekaantekening van 20 oktober 1920: ‘Ontdekte dat feitelijk de grondtegenstelling waarop ik m’n leven en denken bouw, werkelijkheid en waarde, niet zo ver verwijderd is van het conflict Jupiter-Prometheus – als onder werkelijkheid ook maar alle met schijn-van-eeuwigheid beklede waardenrealisaties worden verstaan en de waarde gezien wordt als bewegingsrichting’. [23 ]Miskotte situeert – zich oriënterend op de zgn. Badense neokantianen als Windelband en Rickert als ook op Eduard von Hartmann[24] – de theologie dus liefst profetisch-prometheïsch in de hoek van het protest tegen een werkelijkheid, terwijl Gunning juist aan het werkelijkheidskarakter van de geloofskennis hecht. In zijn dagboekaantekening voegt Miskotte een spannende vraag toe: ‘Alleen, is er ook een mystieke, contemplatieve, verstilde Prometheus?’ [25] In dat geval zou juist de figuur van Gunning ook bij de andere pool thuishoren. Overigens verklaart dit, waarop Miskotte te dien dage heel zijn leven en denken zegt te bouwen, ook wel zijn bekende opwinding bij de kennismaking met Karl Barth nader: ‘Römerbrief ergert me wild en boeit door z’n ontstellende moed tot relativering van alle waarden’ (01-02-1923, ook nog 09-01-1926).[26]
Ethiek en satisfactie
In 1882 sprak Gunning in Barmen over ‘Glaube und Sittlichkeit‘. Hij poneert meteen al dat ‘in Christus geloven’ en ‘goed mens zijn’ vrijwel samenvallen, zo zeer dat Gunning wie klaarblijkelijk een goed mens is en tegelijk stelt niet in Christus te geloven, toch met recht als Christen aanziet. Gunning vermoedt bij deze these forse tegenspraak. Miskotte onderkent eveneens een hierin gelegen onhelderheid en meent dat het zeker zaak is vast te houden aan de historische openbaring in Christus als scheppende macht, maar acht het wenselijk het begrip zedelijkheid daarvan los te maken (en dan in algemene zin te omschrijven, bijvoorbeeld als ‘de persoonlijke erkenning van normen’), en datgene waarop Gunning doelt bij zijn begrip ‘Sittlichkeit’ eerder te verstaan als ‘iets dat gelijkt op “het volkomen leven” der mystieken’. Wanneer we dat eenmaal verstaan hebben, ‘zullen we bij Gunning een stroom vinden van verrukkelijke gedachten.’ [27] Van de persoon van Christus gaat de levenwekkende kracht van de genade uit, ‘door de kracht van de totale Heer worden wij bekwaamd, door Zijn inwoning wordt het onmogelijke mogelijk’, zodat in de gemeenschap met Hem jij, mens, zélf het bent die tot heiligheid komt: ‘Ja, eben du, du selbst musst es thun’ (cursivering Miskotte). Zeer storend is het daarbij, meent Miskotte, wanneer Gunning in deze gedachtegang toch ook nog plaats wil inruimen ‘voor de satisfactieleer van de Kerk, die de onmacht van het Woord, de absolute verkeerdheid van de mens en de verzoenende kracht van het bloed tot veronderstelling heeft.’ Daartoe voert Gunning in zijn betoog alsnog de figuur van de ‘toerekening van vreemde verdienste’ in, omdat we als oude mens niet tot heiliging van onszelf in staat zijn en alleen door het zoenoffer van Christus onze verdoemenis volledig is gedragen en gedelgd, en het oude leven heeft afgedaan. Miskotte meent echter: ‘het quasi-verdedigen van de satisfactieleer is onwezenlijk aan de eigenlijke fundering van Gunnings ethiek’, want het onderkennen van de levenwekkende kracht van Christus die de mens tot ware zelfstandigheid aanzet heeft deze verstorende omweg helemaal niet nodig.[28] Althans, de Miskotte uit zijn Kortgeense jaren ziet dat zo. Later, in De blijde wetenschap (1947), zal hij weliswaar de Heidelbergse Catechismus laken in de wijze waarop deze de zaak argumenterend invoert, maar niet om de zaak van de satisfactieleer zelf. Een citaat:
“Hij-zélf is God, die de last van ‘s werelds onwil en (daarom) onzin ten einde draagt en verslindt in Zichzelf. Als de gemeente zegt: Jezus Christus! Dan zegt zij (…) dat wij door Hem de eeuwige straf, de volstrekte verwerping ontgaan, dan zegt zij exclusief, dat er geen ánder ‘middel’ is waardoor de mens iets zou kunnen ‘betalen’, om wederom tot genade te komen.”
De gemeente heeft er geen behoefte aan dit gebeuren nog eens van een bewijs te voorzien, want ‘ze hééft vergiffenis ontvangen; ze lééft dagelijks daarvan’ (bij HC Z V/vr. 12-14).[29] Dan klinken er inmiddels dus wel heel andere tonen! Voor de latere Miskotte sluit ‘de levenwekkende kracht die van Christus als scheppende macht uitgaat’ het langs deze weg ‘in Hem afgedaan hebben van het oude leven’ blijkbaar niet meer uit.
Geloof en geschiedenis
In zijn inaugurele rede als hoogleraar te Leiden in 1889 had Gunning gepoogd bij het doceren van het aan hem toevertrouwde vakgebied: de Wijsbegeerte van de Godsdienst, uit te gaan van een eigen, theologische methodiek. Hij meende voor deze methodiek een uitgangspunt gevonden te hebben in ‘het geloof der gemeente’, maar ontmoette veel kritiek op dat voorstel, een kritiek die ook nadien niet verstomde. Ik herinner mij dat mijn leermeester Frans Breukelman er ooit in een persoonlijk gesprek tegen fulmineerde, omdat hij het typerend achtte voor de empirische fundering van de hele nieuw-protestantse pseudotheologie. Het lijkt mij achteraf gezien geen fair oordeel, al was het maar omdat het Gunnings afscheid van het empirisme van C.W. Opzoomer niet serieus neemt, maar dat neemt niet weg dat het moeilijk valt ‘het geloof der gemeente’ als theologische categorie goed te bepalen. Gunning zelf gaf dat metterdaad ook toe, door al vrij spoedig bij C.P. Tiele te polsen of hij bereid was de leeropdracht van hem over te nemen in ruil voor het vak ‘De geschiedenis van de leer aangaande God’. Tiele reageerde welwillend en de faculteit besloot aldus. Daaraan voorafgaand had Gunning zich nader verklaard in een uitvoerig en grondig geschrift: Het geloof der gemeente als theologische maatstaf voor het oordeel in de wijsbegeerte van de godsdienst (1890). Miskotte reconstrueert zorgvuldig de stappen in Gunnings argumentatie. Aanvankelijk heet het dat de idee van de godsdienst ‘de overgave is, het offer van ons oude leven voor het nieuwe, het winnen van de persoonlijkheid’. ‘De niet in Christus vernieuwde mens gaat als persoon voor de geschiedenis verloren.’ Maar is dat dan niet een heel smalle geschiedenis? ‘Nee’, antwoordt Gunning, ‘wat wij de Bijbelse geschiedenis noemen, is eenvoudig de geschiedenis’; ‘de volken moeten (…) tot Israël komen, niet Israël tot hen’ [30] – zinnen die Breukelman behaagd zouden hebben (althans bijna)[31], maar die de jonge Miskotte voor ‘fanatiek’, ja welhaast Kuyperiaans houdt. Misschien niet godsdienstigheid, maar wel geloof valt dus niet van geschiedenis te scheiden. Maar dan schiet Gunning te binnen wat zijn tegensprekers lessingiaans opwerpen: een historisch feit kan toch geen maatstaf of beginsel zijn? En een idee kan het ook niet zonder meer zijn, of het moest zijn een idee die tegelijk daad is. Ja, dat is het: de daad, waarin Christus zich voortdurend meedeelt, ‘waardoor dan ook de persoonlijkheid in zijn gemeenschap voltooid wordt’. Impliceert dit dan, vraagt Miskotte, in tijdsvorm uitgedrukt: het ‘Eeuwig Heden’ waarvan een mysticus als De Hartog getuigt? De conclusie moet zo luiden: ‘Het geloof als historisch-gebonden grootheid kan als maatstaf des oordeels niet dienen, wel: het geloof als “normatieve zielenstaat”.’[32] Wanneer deze analyse juist is, is Gunning er inderdaad niet goed uitgekomen. Maar Miskotte is hier ook niet blijven staan, gezien, wat we al eerder aanhaalden, de theologische leer van de tijd die straks Als de goden zwijgen zal dragen, en die een categorie als die van een ‘Eeuwig Heden’ hermeneutisch corrigeert.[33]
Beslistheid en ruimte
Het tweede gedeelte van het geschrift Het geloof der gemeente behandelt de – gemakkelijker te beantwoorden – vraag waarom de gemeente het aldus verstane vak, dat haar geloof tot voorwerp heeft, als rechtmatig kan erkennen. Het laatste, hier door Gunning ontwikkelde gezichtspunt, stelt vast dat het door hem bepleite zicht op de geschiedenis en de veelheid van de godsdiensten vanuit Christus een voordeel heeft boven het in de 19e eeuwse wetenschap gangbare evolutionaire patroon, waarin religies zich uit elkaar voort-ontwikkelen.[34] Uitgangspunt vormt een beschouwing van Henri-Frédéric Amiel, die zich verzet tegen een anatomiseren en voortijdig doodmaken van delen van een lichaam, zonder het volgroeide lichaam in zijn originaliteit als geheel te bezien. Hij stelt daarom voor de weg te gaan van het geheel naar de delen en van het middelpunt naar de omtrek. Het beginsel van de moderniteit is vervat in het distichon van Goethe: ‘Willst du in’s Unendliche schreiten/ So geh’ ins Endliche nach allen Seiten’.[35] Alsmaar meer kennisgebieden worden ontsloten, en veroverd! Maar van waaruit? Weet men nog van een verticaal, voordat men zich op de horizontaal beweegt, van een hoogte voor men de breedte zoekt, van een middelpunt bij het verkennen van wat de omtrek is? Miskotte geeft weer hoe Gunning hier allerlei cultuur- en maatschappijkritische waarnemingen aan verbindt, die hij maar zeer gedeeltelijk kan delen. Bijvoorbeeld: in plaats van de ene waarheid komt de meerderheid van stemmen, in plaats van de ene soeverein het kiesrecht voor allen, in plaats van de eenheid des geloofs ‘de brede rei van godsdiensten der wereld’ enzovoorts. Miskotte kan het niet laten Gunnings beoordeling van die voorbeelden onder kritiek te stellen. Hij komt hier terug op zijn onderscheid van werkelijkheid en waarde: waarden zijn, stelt hij, niet alleen in de kern vervat, maar kunnen zich heel wel ook in den brede zien te realiseren! ‘Vreemd doet het ons aan dat Gunning in het geheel geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de mens van het heden in de breedte gaat om de waarde te verwerkelijken, een mogelijkheid die toch op velerlei wijze juist op de door Gunning genoemde gebieden tot de schone werkelijkheid van het ideële streven geworden is’. [36] Op deze wijze weet Miskotte Gunning dan ook tegen Gunning in te zetten. ‘Voor Gunning betekent dit boven-empirisch standpunt in zijn universitair leervak de rechtvaardiging van de methode het uitgangspunt te nemen in het “Geloof der gemeente”, om van daaruit naar de omtrek van de vele godsdienstvormen te gaan. Het rechte centrum is voorwaarde voor de ware universaliteit’.[37] In de naar Miskottes oordeel wonderschone brochure ‘Wat is het geloof?’ (1887) treft hij daarover in de voorrede het volgende aan:
“Gunning gaat de rechtmatige religieuze behoeften (…) niet “irenisch” tot elkaar brengen door van beide uitersten iets af te knabbelen, tot beider zielenstrevingen zo ietwat versmelten in wederzijdse broederlijke declaraties – nee! Er wordt getuigd van een Derde, een Werkelijkheid, die niet de resultante plus minus is van onze verlangens en inzichten, maar grond van alle menselijke gemeenschap, kern van alle openbaring, vooronderstelling van elk liefdeverlangen, verborgen kracht voor elke liefdedaad. Zo wij waarlijk ‘in Christus geschapen zijn’ (Kol. 1:16), zo Hij waarlijk het vleesgeworden Woord en aldus ‘het hoofd van een iegelijken man’ is (1 Kor. 11:3), nu – dan bestaat er tussen ons mensen een grond van natuurlijke broederschap in Christus, welke dan verder grondslag is van elke bijzondere broederschap in familie, volk, kerk, stand en beroep, enz. enz. Ook deze laatste moeten dus wel in Christus geheiligd worden, maar alleen op grond dáárvan dat ze oorspronkelijk reeds heilig zijn in Hem. De gemeente is boodschapster van deze algemene broederschap aan de mensheid. Wij zijn in Christus niet nadat wij éérst natuurlijke mensen, mannen of vrouwen, Nederlanders of Fransen, rechtsgeleerden of dagloners zijn; niet zijn we dit alles, of iets dergelijks éérst, en dan óók nog daarenboven in Christus. Neen, maar wij zijn in Christus allereerst, oorspronkelijk, naar ons eigenlijk wezen: dit zijn wij, dit is ons eigenlijk mens-zijn; en dan komt daar voor ieder van ons nog de bijzondere toestand onder een van deze mogelijkheden bij.” [38]
Het middelpunt stempelt voor Gunning dus toch ook de omtrek, kun je concluderen. Miskotte sluit daarbij aan met de volgende oproep voor zijn eigen dagen: ‘Laat Gunnings woord ons bevrijden van alle [zeg: “fanatieke”] “beslistheid”, die onbestaanbaar is met het wezen van een universele religie, bevrijden tot de beslistheid waarmee de discipel buigt voor het ene middelpunt van de wereld, dat het middelpunt van ons verlangen is’.[39] Het samengaan van beslistheid en ruimheid, onderkenning van een beslissend middelpunt en openheid naar alle kanten, is voor Miskotte een dermate beslissend (!) leerpunt dat hij bij Gunning heeft opgestoken, dat hij er nog in het blad Woord & Dienst in 1962 op terugkwam. Hij hield het dus voor blijvend actueel.[40]
Gunning en Miskotte over de Ritschl-school
We zagen (in het gedeelte over de distinctie van zijns- en waardeoordelen) dat Miskotte meende dat Gunning het eerherstel van Kant, waarvan hij zeker goed notitie had genomen, onvoldoende had gehonoreerd. ‘De heilige droom der Romantiek smeulde in Gunnings geest na. Als we bijvoorbeeld herlezen de passage over het “der waarheid getuigenis geven” [Joh. 18:37],[41] in de zin van: de mens zal aan de natuur zelfbewustzijn verlenen, dan voelen wij het romantische geloof aan de magische macht van de geest over de wereld (die nota bene naïef-realistisch gedacht wordt) zacht gloeien tot ons.’ Evenwel ‘is de toepassing van deze gevoelens in de theologie sinds [Albrecht] Ritschl steeds minder mogelijk geworden. Ritschl heeft de zin verstaan van het “dualisme” dat Gunning tot elke prijs wilde ontkennen of vermijden’.[42] Miskotte stelt een rij op van Duitse systematische theologen die in zijn ogen aan een voortgaand bouwen van de dicipline werkten, op een wijze waar het Nederland aan ontbrak (Herrmann, Kaftan, Troeltsch, Wobbermin, Seeberg, Stephan, Heim – merkwaardigerwijs ook Barth [43]) en Ritschl gaat daarin voorop. Gunning erkende zeker Ritschls betekenis, maar had ernstige bezwaren. Het eerste bezwaar is dit:
“In de mystiek, door Ritschl verworpen, ligt juist al onze kracht. Dit verschil komt duidelijk uit waar Ritschl ontwikkelt, hoe zijns inziens ‘de liefde tot God en Christus’ een merk draagt van onverschilligheid jegens de wereld in ’t algemeen of van wereldontvluchting, terwijl door ‘geloof in God en Christus’ het tegendeel wordt uitgedrukt. Wij daarentegen geloven dat trouw voldoen aan de aardse roeping zeer zeker tot het geloofsleven behoort, maar niet dat het daarin naar zijn wezen bestaan zou. De ascese keuren wij geenszins af.”[44]
Herhaaldelijk geeft Miskotte te kennen, dat hij het met die ascese moeilijk heeft – bijvoorbeeld in zijn verzet tegen de uitdrukking ‘vlees’ in het artikel van de ‘opstanding des vlezes’ naar het Apostolicum in zijn bespreking van Blikken III, en in zijn herhaalde verzuchting bij de bespreking van Gunnings Lijden en heerlijkheid uit 1875 [45]: ‘zijn opvatting van wat “vlees” heet en de daarop gebouwde ascese komt mij meer en meer onhoudbaar voor’.[46] Gunnings tweede bezwaar luidt:
“In onze dagen is de school van Ritschl (…) te goeder trouw overtuigd met de idee ‘openbaring Gods’ in Christus ernst te maken. In haar neemt het subjectivisme de houding aan van een zuiver praktische, zielkundig gewettigde, afkeer van metafysica en liefde voor ethiek. Over het geheel begeert men, onder de indruk van de macht der wereldwetenschap en wereldbeschaving, veel meer zich onder die rechtbank te stellen en door haar proefhoudend verklaard te worden, dan die gehele wereldontwikkeling voor de rechtbank van Gods Woord en waarheid te plaatsen. Zo trekt men zich, als een leger dat zich zwak voelt, apologetisch tot het innerlijke leven terug.”[47]
Zo heb ik het in mijn studietijd ook van de onvergetelijke historisch theoloog Dieter Schellong geleerd! [48] Omgekeerd valt mij op dat Martin Kähler, met wie Gunning bevriend was, bij Miskotte ontbreekt (afgezien van een indirecte vermelding in een voetnoot [49]), terwijl deze toch in de 19e-eeuwse gevechten om ‘het leven van Jezus’, waar Gunning met Kuyper in verwikkeld was geraakt, ook – naar Miskotte’s leerling Rochus Zuurmond opmerkt – in de late 20e eeuw nog goede diensten kon verlenen.[50]
Enkele opmerkingen tot slot
In zijn eerste predikantsjaren vereerde Miskotte J.H. Gunning Jr. nog altijd om diens voorbeeldigheid in het voeren van een heilig leven, om de intense geestelijke activiteit waarmee hij zich als theoloog met de wijsbegeerte en de kunsten van zijn tijd had ingelaten, en om de wijsheid waarmee hij zich tussen de kerkelijke en politieke fronten had bewogen zonder zich ooit vast te leggen. Tegelijk laat Miskotte in zijn weergave en bespreking van een reeks van Gunnings geschriften blijken dat hij met veel van de gedachtegangen die daarin tot uitdrukking komen niet meer mee kan gaan. Vanuit de stand van zaken in de academische theologie van de vroege jaren twintig van de twintigste eeuw, zoals die zich uitte in de ‘religionsgeschichtliche Schule’ of in de waardenfilosofie van het Badense neokantianisme, schiet Gunning als leidsman in veranderde omstandigheden voor Miskotte tekort. Het is opmerkelijk hoe hij daarbij allerlei posities inneemt, die hij in zijn latere theologische bestaan juist niet meer voor zijn rekening zal nemen. Te denken vallen daarbij aan een voorkeur voor het lezen van het Nieuwe Testament vanuit de hellenistisch-Joodse omgeving boven een canoniek lezen vanuit het Oude Testament, de weerzin tegen overgeleverde dogma’s als de satisfactieleer en het problematiseren van antropomorfe voorstellingen in het denken van de leerstellige theologie. Het is aan de lezer van nu, aan welke Miskotte zij theologisch de voorkeur geeft: de jonge, Kortgeense van de schetsen in Prof. Dr. J.H. Gunning Leven en Werken, of de latere van de bekende grote werken, zoals het Bijbels ABC of Als de goden zwijgen.
Toch laat ook deze voorkeur zich weer relativeren. Toen hij bij Gunnings 100e geboortejaar zijn Praeludium voor Gunning Leven en Werken omwerkte tot een geheel aan Gunning gewijd boek, opende Miskotte dit boek met een passage over ‘misverstand en scheiding tussen twee opeenvolgende generaties’, die ‘tot ‘een leed van zeer tragische aard’ kunnen worden. Daarmee thematiseerde hij dus ook wat hem van Gunning scheidde. Aan het slot van deze inlas schetst hij dan Gunning als ‘een man die, wortelend in eigen tijd, toch over het hem gegevene heen heeft gezien’. Daarmee wordt ‘het leed om de scheiding der geslachten tot rust gebracht.’ ‘Naar mijn mening’, aldus Miskotte, ‘is in het werk van Johannes Hermanus Gunning (…) een open plaats ter ontmoeting te vinden.’ ‘Bij zijn theologie – want hij was theoloog door en door – kan het gesprek inzetten dat de geslachten hebben te voeren, het heilig gesprek over Hem die trouw houdt van geslacht tot geslacht.’ [51] Dat gesprek tussen de generaties in een open ruimte kan zo ook nu, nog weer een eeuw later, een vervolg vinden.
1 Bewerkte versie van een lezing bij de studiemiddag van de Dr. K.H. Miskotte Stichting op vrijdag 8 november 2024 in de kerk van Blauwkapel bij de presentatie van K.H. Miskotte, Johannes Hermanus Gunning en andere bijdragen over de theologie van de 19e eeuw. Verzameld Werk (MVW) deel 17. Ingeleid door Albert de Lange. Geselecteerd, bezorgd en geannoteerd door Willem Maarten Dekker, Willem van der Meiden, Lieuwe Mietus en Rinse Reeling Brouwer, waarin tevens opgenomen Bibliografie K.H. Miskotte door Willem van der Meiden. Utrecht: KokBoekencentrum 2024. Hieronder afgekort als MVW 17.
2 K.H. Miskotte, …Als een die dient. Volledige uitgave van het “Gemeenteblaadje Cortgene” 27 oktober 1923 – 4 april 1925, met een verantwoording van bezorger A. Otter. Baarn: Ten Have 1976. Daarover R.H. Reeling Brouwer, ‘Miskotte in Zeeland’, de Spuije, tijdschrift van de Heemkundige Kring De Bevelanden en de Vereniging Vrienden van het Historisch Museum de Bevelanden 125 (2025), 20-29.
3 Bijdragen aan: Prof. dr. J.H. Gunning, Leven en Werken, door Dr. J.H. Gunning J.Hz. met medewerking van vrienden des ontslapenen. Rotterdam: Bredée z.j. (1923-1925). Drie delen. Vijf banden + band met registers. Tevens te vinden op Delpher. Deel I: Praeludium, VII-LVIII. Deel II: Blikken in de Openbaring I, III en IV, 318-334, 347-389 en 389-398. Lijden en Heerlijkheid, 651-660. Die objective Wahrheit des Gemeindebekenntnisses, 777-790. Glaube und Sittlichkeit, 894-907. Deel III: Wat is het geloof?, 165-170. Het geloof der Gemeente, 311-334. Anarchisme, 423-427. De evolutie der samenleving, 433-439. Hieronder afgekort als GLW. In MVW 17 zijn Miskottes tien bijdragen na het Praeludium te vinden op 137-283.
4 K.H. Miskotte, Uit de dagboeken 1917-1930. MVW 4. Samengesteld en toegelicht door E. Kuiper-Miskotte en H.H. Miskotte. Kampen: Kok 1985, 168-264. Voor Miskottes Kortgeense jaren zie verder Herman de Liagre Böhl, Miskotte. Theoloog in de branding, 1894-1976. Amsterdam: Prometheus 2016, 38-72.
5 Praeludium, xlvi; MVW 17, 79; de betiteling ‘hoofdwerk’ vinden we bij Miskotte ook later nog (1962): 450, 460.
6 GLW II, 333. MVW 17, 151.
7 GLW II, 389. MVW 17, 195.
8 GLW II, 396v. MVW 17, 202.
9 J.H. Gunning Jr., Blikken in de Openbaring. Vierde deel. Amsterdam: H. Höveker 1869, 431v.
10 Miskotte, Gemeenteblaadje Cortgene, 204-206 (6 september 1924).
11 K.H. Miskotte, Als de goden zwijgen. MVW 8, Kampen: Kok 1983, 411-412 (in de aanbiedingstekst ‘Bij de tweede druk’ van dit werk uit 1956, gedateerd 1965). Zie aldaar ook de korte aanduidingen op 120: ‘Een christologische “Deutung” in de zin van vrome “Umdeutung” is ongeoorloofd; een uitlegging, die ervan uitgaat, dat ook in het Oude Testament alles indirect van Christus, van de Openbaring, van het Rijk (…) spreekt, is voor het christelijk geloof eenvoudig geboden en brengt ook veelszins voor ieder deelnemer aan het onderzoek het wezen der dingen aan de dag’ (ofwel: is niet provinciaals ‘alleen voor christenen’, maar fenomenologisch aanwijsbaar, RRB).
12 GLW II, 389v. MVW 17, 195v.
13 Op 195n246 staat vermeld dat het moeilijk valt uit te maken op welke auteurs Miskotte zich voor zijn schets van de nieuwtestamentische wetenschap in 1923 baseert. Er is opgesomd over welke titels hij op dat moment in zijn bibliotheek beschikte (Von Soden en enkele inleidingen in het Nieuwe Testament van meer conservatieve geleerden) en welke werken op grond van zijn in GLW geboden schets te verwachten waren maar ontbraken. Deze gegevens stroken met de dagboeknotitie van 16 mei 1919, waarin Miskotte meldt voor ‘de hoogst-stijgende geest’ van een theoloog meer van dogmatici, denkers en mystici (met een enkele piëtistisch-biblicistische exegeet als Bengel of Franz Delitzsch daarbij) te verwachten dan van ‘de moderne vakmensen, hoe knap en diepzinnig vaak’; MVW 4, 129.
14 Te denken valt hier aan de latere ‘lezingen voor Bijbelkringleiders’ over het Evangelie naar Marcus, zoals dat nu beschikbaar is in K.H. Miskotte, Hoofdsom der historie en andere teksten uit de oorlogsjaren, samengesteld en toegelicht door Willem van der Meiden en Wilken Veen. MVW 15, Utrecht: KokBoekencentrum, 2022, 79-215 (10 september 1941 – 11 november 1942).
15 GLW II, 350. MVW 17, 155v. met noot 53. Het door Miskotte gewraakte citaat bevindt zich bij Gunning in Blikken III binnen het openingshoofdstuk, 6.
16 Aldus W. Balke in zijn inleiding tot de uitgave Johannes Calvijn, De eeuwige voorbeschikking Gods. Amsterdam: Boom, 2009, xv: ‘Het woord decretum gebruikt hij bewust niet vaak; hij heeft duidelijk voorkeur voor consilium (Raad), beneplacitum (welbehagen) en voluntas (wil).’
17 Karl Barth, Die kirchliche Dogmatik II/1. Zürich: EVZ 1940, 584.
18 K.H. Miskotte, Karl Barth. Inspiratie en vertolking; inleidingen, essays, briefwisseling, verzorgd door A. Geense en H. Soevesandt. MVW 2. Kampen: Kok 1987, 134 (passage uit 1954/55).
19 Miskotte, Als de goden zwijgen, 107.
20 GLW II, 782. MVW 17, 216 (aanhaling uit J.H. Gunning, Die objective Wahrheit des Gemeindebekenntnisses. Gotha: Fr.A. Perthes, 1879, 10).
21 GLW II, 778. MVW 17, 213.
22 GLW III, 331-332. MVW 17, 267-268.
23 MVW 4, 157-158.
24 MVW 4, 314 (Rickert) en 400 (Von Hartmann). MVW 17, 267n512, ook 233n380.
25 MVW 4, 158.
26 MVW 4, resp. 242 en 272.
27 GLW II, 894-896. MVW 17, 226v.
28 GLW II, 898-899. MVW 17, 229-230.
29 Dr. K.H. Miskotte, De kern van de zaak. De blijde wetenschap, MVW 11. Kampen: Kok 1989, 340-341 (oorspronkelijke versie uit 1947, 64)
30 GLW III, 317. MVW 17, 250v.
31 F.H. Breukelman, ‘”Geschiedenis” als theologisch begrip’, in: Theologische opstellen, Bijbelse Theologie IV, verzorgd, geannoteerd en van een inleiding voorzien door Dr. L.W. Lagendijk. Kampen: Kok 1999, (191-197)192.
32 GLW III, 319-320. MVW 17, 253v.
33 Miskotte, Als de goden zwijgen, 92: ‘De Openbaring is God-Zelf, gelijk Hij, onherhaalbaar en onherroepelijk, in één punt des tijds, Zich verenigt met het mensenleven in Christus Jezus. Deze tijd is tegelijk de tijd die Gode eigen is én die waarin wij verkeren; hij is als zodanig, hoewel deelhebbende aan de menselijke tijd, van alle tijd, waarin onze menselijke ervaring en kennis zich afspeelt, onderscheiden.’ etc.
34 GLW III, 330. MVW 17, 266.
35 Door Gunning meerdere malen geciteerd. Zie o.a. MVW 17, 187n216 en 267n511.
36 GLW III, 332. MVW 17, 268.
37 T.a.p.
38 GLW III, 166-167. MVW 17, 241. In Gunnings geschrift naar de uitgave van 1887, 4-5.
39 GLW III, 170. MVW 17, 244.
40 MVW 17, 449-460.
41 GLW III, 328. MVW 17, 263 (Gunnings Het geloof der gemeente uit 1890, pag. 98).
42 GLW III, 333. MVW 17, 269.
43 GLW II, 334; MVW 17, 151v. (bij Blikken I) en GLW III, 334; MVW 17, 270 (bij Het geloof der gemeente).
44 Gunning in De prediking van de toekomst des Heren (1888), aantekening 23; geciteerd MVW 17, 271n530.
45 GLW II, 368; MVW 17, 174n153.
46 GLW II, 660; MVW 211.
47 Gunning in De opbouw der kerk op haar grondslag (1900), 27; geciteerd in MWV 17, 271n530 vervolg.
48 Dieter Schellong, Bürgertum und christliche Religion. Anpassungsprobleme der Theologie seit Schleiermacher. Theologische Existenz heute N.F. 187. München: Chr. Kaiser 1975, over Ritschl speciaal 53-69.
49 Miskotte citeert MVW 17, 444n39 zonder verwijzing uit een brief van Gunning vanuit Leiden aan Kähler.
50 Rochus Zuurmond, Verleden tijd? Een speurtocht naar de historische Jezus. Baarn: Ten Have 1994, 32-35.
51 K.H. Miskotte, Johannes Hermanus Gunning, Rotterdam: J.M. Bredée
Over de auteur
Prof. Dr. R.H. Reeling Brouwer is emeritus-hoogleraar op de Miskotte/Breukelman-leerstoel voor de Hermeneutiek van de Bijbel aan de Protestantse Theologische Universiteit.
Bibliografie
Balke, W. (2009), Inleiding, in: Johannes Calvijn, De eeuwige voorbeschikking Gods, Boom.
Barth, K. (1940), Die kirchliche Dogmatik II/1, EVZ.
Breukelman, F.H. (1999), ‘”Geschiedenis” als theologisch begrip’, in: Theologische opstellen, Bijbelse Theologie IV. Kok.
Gunning Jr., J.H. (1868), Blikken in de Openbaring. Derde deel. H. Höveker.
Gunning Jr., J.H. (1869), Blikken in de Openbaring. Vierde deel. H. Höveker
Gunning Jr., J.H. (1879), Die objective Wahrheit des Gemeindebekenntnisses, Friedrich Andreas Perthes.
Gunning Jr., J.H. (1882), Glaube und Sittlichkeit, Höveker & Zoon
Gunning Jr., J.H. (1887), Wat is het geloof? Jacques Dusseau.
Gunning Jr., J.H. (1888), De prediking van de toekomst des Heren. C.H.E. Breijer.
Gunning Jr., J.H. (1890), Het geloof der gemeente als theologische maatstaf des oordeels in de wijsbegeerte van de godsdienst. C.H.E. Breijer.
Gunning Jr., J.H. (1900), De opbouw der kerk op haar grondslag. H. ten Hoet.
Gunning J.Hz, J.H. en anderen (1923-1925), Prof. dr. J.H. Gunning, Leven en Werken. Bredée.
Liagre Böhl, H. de (2016), Miskotte. Theoloog in de branding, 1894-1976. Prometheus.
Miskotte, K.H. (z.j. [1929]), Johannes Hermanus Gunning, Rotterdam: J.M. Bredée’s
Miskotte, K.H. (1976), …Als een die dient. Volledige uitgave van het “Gemeenteblaadje Cortgene”. Ten Have.
Miskotte, K.H. (1983), Als de goden zwijgen. Verzameld Werk deel 8. Kok.
Miskotte, K.H. (1985), Uit de dagboeken 1917-1930. Verzameld Werk deel 4. Kok.
Miskotte, K.H. (1987), Karl Barth. Inspiratie en vertolking; inleidingen, essays, briefwisseling. Verzameld Werk deel 2. Kok.
Miskotte, K.H. (1989), De kern van de zaak. De blijde wetenschap, Verzameld Werk deel 11. Kok.
Miskotte, K.H. (2022), Hoofdsom der historie en andere teksten uit de oorlogsjaren. Verzameld Werk deel 15. KokBoekencentrum.
Miskotte, K.H. (2024), Johannes Hermanus Gunning en andere bijdragen over de theologie van de 19e eeuw. Verzameld Werk deel 17. KokBoekencentrum.
Reeling Brouwer, R.H. (2025), ‘Miskotte in Zeeland’, de Spuije, tijdschrift van de Heemkundige Kring De Bevelanden en de Vereniging Vrienden van het Historisch Museum de Bevelanden, Afl. 125.
Schellong, D. (1975), Bürgertum und christliche Religion. Anpassungsprobleme der Theologie seit Schleiermacher. ThExh N.F. nr. 187. Chr. Kaiser.
Zuurmond, R. (1994), Verleden tijd? Een speurtocht naar de historische Jezus. Ten Have.