De ouverture tot de Bijbel: Israël als eersteling (Cahier BT I/2)

D

6. De ouverture tot de Bijbel: Israël als eersteling (Cahier I/2)

“Onder de titel toledot [verwekkingen] zullen we in het eerste deel van de Bijbelse Theologie de theologie van het Boek Genesis bespreken, omdat we in de sefer toledot adam [het boek van de verwekkingen van Adam, mens], waarin het gaat over de wording van Israël temidden van de gojim [de volkeren], met de ouverture tot het geheel van de Tenakh te maken hebben.” Cahier BT I/1, 18

In dit cahier zet Breukelman een van zijn grootste ontdekkingen als Bijbelgeleerde uiteen. In de afgelopen eeuwen was het namelijk een vrijwel algemene mening onder de onderzoekers, dat het Boek Genesis uit vele bronnen was samengesteld en in zijn uiteindelijke vormgeving nauwelijks een eenheid vertoonde. Bovendien maakte men, in de commentaar van Klaus Westermann (1e druk 1966) zelfs in welhaast absolute vorm, onderscheid tussen de ‘Urgeschichte’ in de eerste elf hoofdstukken, die de hele mensheid zou aangaan, en de ‘Vätergeschichte’ vanaf hoofdstuk 12, die het voorgeslacht van Israël zou betreffen. Breukelman daarentegen gaat uit van het opschrift in Gen. 5:1, ‘Dit is het boek van de toledot (verwekkingen) van Adam (mens)’ en leest van daaruit ook overal elders in het boek de term toledot als voorwaarts wijzend opschrift. Op deze wijze is het thema van vaders en zonen al van het begin af aanwezig:

“In het eerste hoofddeel (Gen. 5:1-11:26) gaan we eerst in een reeks van tien geslachten – van Adam tot Noach – de zondvloed tegemoet en komen we vervolgens in een reeks van tien geslachten – van Noach tot Terach – van de zondvloed vandaan. Het leven van de mensheid wordt ons hier getoond als een leven voor en na de vloed (Gen. 9:28: ‘en Noach leefde na de vloed driehonderd en vijftig jaar’). Op de hoofdlijn van dit boek wordt ons nu echter temidden van de mensheid van Adam tot Noach en van Noach tot Terach geslacht voor geslacht het leven van elk der vaders van Israël getoond als een leven voor en na de eersteling. Een geweldig contrast is het derhalve, dat ons hier voor ogen wordt gesteld, het contrast van het tweeërlei ante et post [voor en na].” Cahier BT I/2, 15

We kunnen hier navoelen waarom Breukelman het zo ervoer, dat de Tenakh zo dicht bij de eigen 20e eeuwse ervaringswereld kwam. De vloed, dat was het dorp Ritthem, of meer nog: het hele nazidom, of: het hele nihilisme, de overweldigende macht van de vernietiging. En de aannemelijkheid van de levenservaring dat het hele leven getekend wordt door de ‘catastrofe’ (aldus het woord dat de Griekse Bijbel in Gen. 19:29 gebruikt voor het lot van Sodom, dat is de vloed in het leven van Abraham en Lot, BT I/2, 49), is ‘na de oorlog’ maar al te aanwezig. Dwars daar tegenin klinkt, heel existentieel, de verborgen lijn van het leven als leven voor en na de verwekking van de ‘eersteling’, telkens weer.

“Wanneer in de twee volgende hoofddelen van het boek van de verwekkingen van Adam, mens, verder wordt doorgetrokken, zet deze beweging zich voort en bereikt zij haar doel. Prachtig laat het verhaal van de toledot van Terach (Gen. 11:27-25:11) ons in deze voortgaande beweging de overgang zien. Het gaat in dit verhaal primair over de vader (Abraham) in een leven voor en na de eersteling. Het gaat echter ook reeds over de zoon in relatie tot zijn broeder (Izaäk en Ismaël). In dit neventhema wijst het tegelijk heen naar wat er in het verhaal van de toledot van Izaäk op volgt en wat daar, in het derde hoofddeel (Gen. 25:12-35:29) het hoofdthema zal zijn: de zoon in relatie tot zijn broeder en de strijd om de bekhorah, het eerstelingschap, en de berachah, de zegen (Jacob/Israël en Ezau). Zo bereiken we dan eindelijk het doel waar heel de beweging van het begin af aan op gericht is geweest: de verschijning van hem, die Israël zal zijn temidden van de volkeren op aarde.” Cahier BT I/2, 62

In vroegere teksten spreekt Breukelman altijd over het voor en na de primum genitum natum, de ‘eerstgeborene’. In het cahier dat niet lang voor zijn overlijden tot stand is gekomen, vooral dankzij Roel Oost als hulp en tegenover, spreekt hij van het voor en na de primum filium genitum, de ‘eerst verwekte’ zoon (BT I/1, 55 nt. 1). Dit hangt ermee samen dat het gezichtspunt van de verwekking door de man bij de toledot beslissend is en niet dat van de geboorte uit een vrouw – hoezeer ook in het gehele boek het neventhema meedoet van de moeders in Israël, van wie de schoot is toegesloten en voor wie de geboorte van een zoon altijd weer een wonder is.

Een effect van deze zelfcorrectie is ook, dat de sterk christologische connotatie van het woord ‘eerstgeborene’ ietwat terugtreedt. Daarmee onderstreept Breukelman nog eens, hoezeer hij zich werkelijk wil laten terugwerpen op de Tenakh als ‘linie die het houdt’. Hij was er diep van overtuigd dat het nieuwtestamentisch getuigenis, op zich gesteld, weerloos was tegen een interpretatie vanuit allerlei denkwijzen en ideologieën die er niet bij pasten. En dus moest het verhaal van het verbond van God met Israël, naar een woord van Karl Barth, de ‘veronderstelling’ zijn voor het vertellen van het gebeuren van de verzoening van Godswege in Jezus, de Messias van Israël. En dus moest je eerst in het boek Genesis als ouverture tot de hele Bijbel de betekenis ontdekken van het eerstelingschap van Israël – niet louter voor zichzelf, maar ter wille van de vele broeders en zusters van Israël onder de volkeren –, voordat je het evangelie van Messias Jezus kon verstaan.

Over deze kwestie, Israël als ‘veronderstelling’ en het Oude Testament als noodzakelijk ‘voor-verstaan’ van het evangelie, voerde Frans Breukelman een hooglopend dispuut met de beroemde Duitse theoloog en Barth-leerling Eberhard Jüngel tijdens een symposium in oktober 1967 van medewerkers aan de feestbundel voor Barths tachtigste verjaardag. Tijdens het debat deed Barth zelf er het zwijgen toe. Barths toenmalige assistent Eberhard Busch bericht, dat hij geen idee had welke positie de oude leermeester in dit debat zou hebben ingenomen. Maar ‘toen ik hem de volgende dag thuis afhaalde om naar de vervolgzitting te gaan, zei hij tegen mij dat hij in deze twist fundamenteel aan de kant van Breukelman had gestaan’ (1ZM, 168).

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie