‘Correspondentie Kuiper – Miskotte’

CORRESPONDENTIE KUIPER – MISKOTTE

Rinse Reeling Brouwer

Karel de Haan, De terugkeer van de kudde, Biografie van ds. Frits Kuiper waarin opgenomen de correspondentie tussen Frits Kuiper en K.H Miskotte, Skandalon Vught 2014, 227 pp., € 20.-. ISBN 978-94-90708-84-9.

In Ophef 2014/1 zijn drie referaten opgenomen van het symposium waarop, bij gelegenheid van het 40e sterfjaar van de strijdbare doperse theoloog, ook de presentatie plaatsvond van het door Peter Post over hem geschreven boekje Naar een messiaans communisme in de theologenreeks van de VTM. Een dag later werd een ander aan Kuiper gewijd boek aangeboden, samengesteld door Karel de Haan van de Doperse Vredes Gemeente in Nederland. Het gaat hier om werkmateriaal: biografische bouwstenen, een lijst van in het archief bewaarde voordrachten, publicaties e.d. van Frits Kuiper (die naar mijn indruk nog wel een bewerking door een professionele archivaris mag ondergaan) en in het grote middendeel de correspondentie, voor zover bewaard gebleven, tussen Frits Kuiper (altijd bekend bij zijn voornaam), en K.H. Miskotte (die zich hier door zijn vriend aanvankelijk Kees, later Heiko laat noemen).

De briefwisseling strekt zich uit over een periode van meer dan vijftig jaar, en veel komt voorbij. In hun studietijd hebben beiden, met hun heel andere achtergrond, blijkbaar iets in elkaar herkend. Ze waren aangeraakt door verwante intuïties en gefascineerd door vaak dezelfde auteurs en bewegingen, terwijl ze tegenover elkaar voortdurend elk hun eigen inzet bewaarden. Zo houdt Miskotte, die er waarlijk ook wel wat over te zeggen zou hebben gehad, zich in de jaren vijftig bewust stil op de achtergrond als Kuiper een lezing houdt over Franz Rosenzweig (p. 85v.), maar hij levert wel een flaptekst aan voor Kuipers vertaling van diens Büchlein vom gesunden und kranken Menschenverstand, die bij de uitgever dan weer vergeet op te nemen (p. 96). Kuiper van zijn kant ziet Miskotte in toenemende mate als deel van het hervormde establishment, en als politiek te gematigd en – daarom – onvruchtbaar (p. 115) Zelf voelt hij zich, naar hij beschrijft, steeds meer vooral in geseculariseerde, socialistische arbeiderskringen thuis (p. 76). Zo wisselen van beide kanten uitingen van bevreemding en vervreemding en dan weer uitroepen van bewondering en aanmoediging elkaar af. Kuiper ergert zich bijvoorbeeld aan de ‘bedenkelijke krampachtigheid’ waarmee Miskotte kort na de oorlog in Vrij Nederland op Vestdijks Toekomst der religie reageert, maar merkt na een bezoek aan Leiden dan toch weer hoe groot de onderlinge verwantschap is en hoe onterecht zijn vrees (p. 83).

Twee grotere tekstcomplexen zijn in deze correspondentie meegenomen. Van Miskotte een mij ontroerende recensie uit Trouw van Kuipers autobiografische schets Met de gemeente de wereld in (1969), en van Kuiper een tweedelige bespreking van de dissertatie van Bert ter Schegget, voor zijn vriend in Voorst bestemd. Het eerste deel begroet de theologische bezinning op de revolutie, die allang noodzakelijk is en tegen de achtergrond van de dogmatiek van Karl Barth ook pas goed mogelijk, het tweede deel betreurt ten zeerste dat ‘de stad van de toekomst’, waar Ter Schegget in zijn ethiek een beroep op doet, niet bij de concrete, aardse naam Jeruzalem wordt genoemd. Dit is typerend voor de laatste jaren, wanneer de uitwisseling weer intensiever wordt en de vraag naar de rechte verhouding tot de staat Israel (na de zesdaagse oorlog van 1967) het gesprek in de kringen waarin beide correspondentiepartners zich bewegen sterk bepaalt: ook hier treedt Kuiper gedecideerd op, Miskotte zich behoedzaam afgrenzend naar twee zijden.

Genoeg ter introductie. We nemen hier enkele fragmenten op, om de lezer warm te maken, en om de verantwoordelijke stichtingen uit te nodigen meer van dergelijke brieven openbaar te maken.

*   *   *   *   *   *

Duivekate, Hellendoorn, 16 augustus 1919

(wil jij een volgend maal je adres ook eens opgeven?)

Amice,

Hartelijk dank voor je zeer doorwerkt aforistisch antwoord op mijn brief – hartelijk dank, hoewel het me in menig opzicht het tegendeel van bevrediging geeft.

In bijna alle punten ben ik het met je oneens, wat mij buitengewoon spijt, temeer omdat ik voel dat ik toch niet met jouw beschouwing mag meegaan. En dit sterke verschil spijt mij te meer daar ik ook zeer bepaald verwantschap voelde en nog voel door jouw brief heen.

Je antwoord is zo weinig klaar en helder, wat oplossingen van problemen volgens mij altijd juist wel moeten zijn. Eigenlijk dacht ik toen ik je brief las, dat je me problemen in meer ingewikkelde vorm als oplossing gaf voor diezelfde problemen zoals ik ze gesteld had. Liever gezegd, op vond jouw oplossingen geen óplossingen. (…)

Dat komt, geloof ik, meer dan ik dacht voort uit de verschillende beschouwing van geweld en massakracht. Ik beschouw deze beide als zonde, geloof dat God ze als zodanig gebruikt in zijn wereldbestuur, maar begrijp het niet en heb steeds grote moeite het te geloven – zoals ik reeds enige jaren geleden in mijn belijdenis, voor mijn doop uitsprak – het is nog altijd een brandende vraag voor mij. Dat ik ze als zonde beschouw, zou ik hiermee willen motiveren: 1e er is altijd een vrij groot element van liefdeloosheid in; 2e onderstelt het altijd een verhouding waarin de persoonlijke verantwoordelijkheid (zoals bij rechtsgeweld) is uitgeschakeld of (zoals bij massageweld) gedeeld wordt en niet gevoeld wordt; 3. maakt het de mens die het toepast slecht; het demoraliseert. (…)

Je Frits

27 augustus 1919 (uit Utrecht)

Beste Frits,


Eerst door drukte verhinderd, nu door koorts bemoeilijkt, schrijf ik je toch kort – omdat je al lang genoeg gewacht hebt.

Vreemd is het dat ook bij deze vragen de grondvraag een dogmatische is – al komen er ook allerlei momenten van karakter, temperament, religieus stadium, milieu enz. bij – de hoofdzaak lijkt me wel wat ik het best zo kan uitdrukken: je zondebegrip is te substantieel om mijn wijze van zien zuiver te kunnen beoordelen – gelijk op overtuigende wijze blijkt uit een zinnetje: ‘ik beschouw deze beide als zonde’. Bovendien ben je jezelf niet helemaal helder, want elders ontken je zelf dat aan onpersoonlijke handelingen de maatstaf van de liefde tot God kan worden aangelegd – wat ik je van harte toestem, omdat het volgt uit een (mijn) beschouwing die de zonde ziet a) volstrekt ethisch, b) accidenteel, c) openbaar in de intentie.

Ook waar je schijnt dichterbij deze zondebeschouwing te komen, bewijst je woordkeus dat je theoretisch vast zit in de beschouwing van de zonde als substantie. (…) Overigens: het verwijt van onhelderheid aan mijn kant verbaast me niet – een ‘oplossing’ dient helder te zijn, maar ik pretendeer niet je dergelijke homeopathische drankjes te verkopen. En zeker verstaan we, zoals je terecht vermoedt, niet hetzelfde onder recht en onrecht – omdat wat uit het bovenstaande duidelijk zal zijn, ik onmogelijk je beschouwing kan delen van het absolute onrecht dat in de ‘zondige’ daad ‘zit’. (..)

Van harte je ‘duistere’

Kees

Kortgene, 12/8/’23

Beste Frits,

Wel is het deemoedig en vriendelijk van je, om na zo lang weer een begin met mij te maken. Ik kan mijn gedrag niet louter verontschuldigen. Maar je moet weten: eerst schaamde ik mij uit ons laffe leventje jou te gaan toespreken in de geweldige spanningen van leed en wanhoop. Jij vertelde niets; duidde dat hierop dat ik het toch niet zou hebben begrepen, ik, eenzaam-intellectueel in een instituut-buiten-het-leven mij handhavend. En toen ik na een paar maanden je adres kwijt raakte, dacht ik vaak daaraan als een zinnebeeld. Wat was je ver! – in welk een ontzaglijk tempo zou je rijpen; je groeide een wilde groei boven ons uit, boven al het devotioneel werk, boven onze voorzichtigheid, boven onze abstracties uit, ook boven ons christendom. Jij was niet meer te achterhalen: want de daadloze kan minnen, de mens van de daad wezenlijk bereiken. O!, je deed wat! En ik kende je, dat je het trouw zou doen en met volle kracht en zonder stoornis van de zijde van het verstand.

Op een zondagmorgen had ik gepreekt over Johannes 21:18-19. ‘En zo is Frits gegaan’ [nl. naar de burgeroorlog in de Sowjet-Unie, red.], dacht ik ineens, ’s middags. Hij staat nu als een kaars en verteert zich naar het licht, is tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van God.

O, ik bewonderde je zo, ik zag de noodzaak een baan te breken naar de daad, een zuivere daad – heb je de kleine steun van een woordje van mij zeer gemist? Och, antwoord maar niet, het is in ieder geval beschamend. (…)

Groet vader, moeder, Esko. Dag jongen! Wees Gode bevolen.

Kees.

Amersfoort, 5 januari 1927

Dank voor je welwillende briefkaart over mijn pennenvrucht. Inderdaad ben ik tot allerlei gekomen sinds half juni, toen ik bij je was. (…) In juli ging ik tijdens mijn vakantie o.a. een week naar Karl Barth, van wiens colleges ik genoot, maar vooral aan een langdurig gesprek op zijn amer had ik veel. We spraken over Christologie, opstanding, predestinatie en over de verhouding van dogmatiek en ethiek. Verder stelde ik toen op Barth’s verzoek mijn bedenkingen tegen Haitjema’s boek [Karl Barth. Drie voordrachten, 1926, red.] op, in verband met de voorbereidingen tot de Duitse uitgave. Barth zond ze aan Haitjema toe, die er een minderwaardig antwoord aan mij op stuurde. (…)

Een handdruk,

Frits

Alkmaar, 2 januari 1942


Beste Heiko,

Het is alweer jaren geleden dat we elkaar, eind maart 1939, in Utrecht een ogenblik zagen. ’t Was toen Karl Barth voor ’t laatst hier was. Er is sinds die dagen veel gebeurd, daardoor lijkt alles zo ver. De tijd van onze vriendschap ligt trouwens nog weer veel verder, want die laatste ontmoeting was er niet een van vreugde, althans niet voor mij, maar één die me deed beseffen dat we elkaar vreemd waren geworden.

Ik betreurde dat, maar voelde me tegelijk niet hij machte om de oude vriendschap te herstellen. In de loop der jaren was ik telkens dankbaar voor veel wat je schreef. Je aandacht voor Israël stemde me buitengewoon hoopvol. Want voor mij werd steeds duidelijker dat van de toekomstige verhouding tussen Israël en de Christenheid veel, ja mogelijk het beslissende voor deze eeuw afhangt. Ik was het niet altijd tot in details met je eens, maar ik las met eerbied en waardering.

Dat ik je nu schrijf komt voort uit behoefte je iets te zeggen over je boek over de lyriek van Henriette Roland Holst [Messiaans verlangen, red.]. Enerzijds voelde ik duidelijk dat dit boek niet voor mij werd geschreven. Het is stellig bestemd voor een anders ingesteld publiek. Anderzijds heb ik nooit zo het gevoel gehad: ‘dat boek had ik geschreven willen hebben’.

Dat gevoel vervulde mij niet met jaloezie. Nee, met blijdschap. Niet alleen omdat ik het niet alleen niet schreef, maar er bovendien in geen jaren toe gekomen zou zijn, maar vooral omdat ik weet dat jouw stem hier zoveel verder reikt dan de mijne zou hebben vermocht. Natuurlijk, juist omdat ik er mij zo na mee verbonden gevoel heb ik mijn bezwaren. Het verlangen is m.i. te weinig in verband gebracht met de hoop op vrede, zoals die b.v. in haar bijschriften bij Berlage’s ontwerpen voor een Pantheon der Mensheid uiting vond. En vooral, de kerk spreekt mij hier door jouw mond niet deemoedig genoeg. Maar dat is hier zeker niet zo bedoeld, maar geschiedde ondanks jezelf. (..)

In gedachten druk ik je niet enkel de hand, maar zie je ook in de ogen.

Gaarne je oude vriend en broeder,

Frits Kuiper

Voorst, 31 oct. ‘63

Beste Frits,

Er gaat een gerucht dat je ons gaat verlaten, om docent te worden in Brazilië (?) [Uruguay, red.] aan een mennisten-seminarie. Nadere gegevens ontbreken Maar ik geloof het gerucht ditmaal en zou je niet graag laten gaan, zonder je veel zegen te hebben toegewenst in je nieuwe werk: ik stel me voor dat je bijzondere gaven daarbij nog beter tot bloei zullen komen en tot voordeel zullen strekken van een ander volk en een andere generatie. Maar ik wil je wel danken voor je stille vriendschap, die mij heeft begeleid door de jaren: Ik ben daarvan zeker, ook al waren de uitingen betrekkelijk spaarzaam. (..) Nu en dan had je de goede inval, mij een brief of briefje te schrijven over een boek van mij. Dat heeft me goedgedaan, want ik hoorde zo weinig.

Het spijt me nog, dat de initiatoren van mijn ‘Festschrift’ [Woord en Wereld, 1961, red.] er niet op gekomen zijn, ook jou uit te nodigen een bijdrage te leveren. Als ze mij gevraagd hadden, zou ik onmiddellijk gedacht hebben aan je stuk in dat geschreven liber amicorum 1944. Als je het aangenomen had, zou er ongetwijfeld een zeer actuele essay uit de bis gekomen zijn; in de stil van ‘De gemeente in de wereld’ of (en) van ‘Israel den de Gojiem’ [1951].

            Weet je dat het laatste tot de vaste stof behoorde voor tentamen Zendingswetenschap in Leiden? Je schreef in dat opstel uit 1944 dat je van plan was te schrijven over de verhouding van Patriarch Sergei en Stalin! Universeel was je hart en geest altijd, maar tegelijk op enkele politieke samenhangen gespitst met een belangrijke kennis van zaken.  Hier is de plaats ook je werk voor de Waagschaal te gedenken: wat waren die reeksen, waarvan de laatste ‘naar het ene aardrijk’ heette, een verkwikking, vooral door de eenvoud die er doorheen speelde en die we rustig een eenvoud des geloofs mogen noemen.

Voor dit alles dank! En God zegene je met je vrouw, in een fantastische ongekende wereld, die wij toch aanzien als deelstaat van Gods verzoenende wereld.

In broederlijke verbondenheid,

Heiko Miskotte.

Montevideo, 26 sept, 1964

Beste Heiko,

Van bevriende zijde krijg ik een Handelsbladknipsel toegestuurd waarin staat dat jij deze maand 70 jaar bent geworden. Naar mijn berekening was je nog een jaar jonger, maar het Hbld zal het wel weten. Daarom deze wat late gelukwens. Meer nog een gelukwens voor ons, je vrienden, dan voor jezelf. Al behoor jij er zeker in te delen.

            Ook mij heb jij indertijd op Barth gewezen (bij mijn bezoek aan Kortgene), maar mijn eigen relatie met Barth is al spoedig naast die tot jou komen te staan. Ook t.a.v. Israel heb je mij wel sterk ‘angeregt’, maar toch niet beslissend mijn koers bepaald. Maar dat deed je wel in je algemene openheid, welke wij bij Barth zo vaak missen en die door een te strakke binding aan Israel – althans bij mij! – wel eens in het gedrang komt. Ik ken geen ander die zo uit de bijbel levend, in die mate de cultuur weet te verstaan als jij. Zo volledig vrij van alle snobisme bij zo brede verbondenheid met het geestesleven van anderen, dat is benijdenswaardig. Moge het je ook verder nog jaren lang wél gaan. (…)

Frits

Briefkaart, Voorst, 19 april ‘70

Beste Frits,

Nu ik gisteren en vandaag telefonisch je niet kon bereiken, voel ik me gedwongen je op deze wijze te zeggen, hoe ik ben ingenomen met je nieuwe boek [Dorst naar recht (?), red.]. Het treft me altijd weer hoe je wereldbewegingen in grote lijnen weet aan te geven middels gegevens van de persoonlijke levens van de gangmakers. Dat had je al in je eerste verslag van je Russische reis: ik zag je dan simpel tussen de mensen in de file voor Lenins graf.

            Wat je nu precies bedoelt met naar Jeruzalem gaan en in Jeruzalem leren, begrijp ik niet concreet, wel naar de geestelijk/politieke tendens.

            Als ik jou lees, ontdek ik mezelf als een bol opgeblazenheid – en allerminst als jouw leermeester. Wel weet ik me aan je verbonden als vriend, een verre collega, een nabije geestverwant.

Hartelijke groet,

Heiko

PS Heb je de dissertatie van Ter Schegget gezien? Promotie 1 mei / Spui.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie