Bespreking van Bas van den Berg (red.), Morele moed en spirituele durf. Essays van Abraham Joshua Heschel

B

Bas van den Berg (red.), Morele moed en spirituele durf. Essays van Abraham Joshua Heschel uit de periode 1936-1972, VOLZIN Magazin BV, 2025, 230 pag., € 22,50. ISBN 978 90 83455 46 4.

Rinse Reeling Brouwer

Abraham Heschel werd in 1907 geboren in Warschau en stamde af van chassidische rabbijnengeslachten. Hij studeerde in Berlijn, verkreeg daar een rabbinale graad en verdedigde er ook zijn proefschrift over ‘het profetisch bewustzijn’. Na enkele jaren van werkzaamheid in Duitsland wist hij uit te wijken naar Londen ontving daar in 1940 een visum voor de VS, terwijl zijn zusters en zijn moeder werden omgebracht in verschillende kampen. Hij zag het als zijn voornaamste taak de actualiteit van de chassidische traditie aan het licht te brengen, en verwierf als auteur op dat veld ook toenemend gezag. In de laatste jaren voor zijn plotselinge overlijden zette hij zich in voor ontmoeting met christelijke gemeenschappen en vooral voor grote sociale beroeringen als de zwarte burgerrechtenbeweging en het verzet tegen de Vietnamoorlog. In Nederland zijn verschillende van zijn boeken vertaald, zoals De profeten (een latere bewerking van zijn dissertatie, Skandalon 2013), en verscheen een bundel opstellen over zijn laatste grote project De Tora uit de hemel, waarin hij het gesprek tussen twee grote rabbijnse overleveringen in hun verschillende omgang met de Tora vruchtbaar maakt (Skandalon & Stichting PaRDeS 2023).

 In 1996 bundelde Heschels dochter Susannah, die ook belangrijke studies op haar naam heeft staan (zoals over de ‘Arische Jezus’ in het Derde Rijk), essays van haar vader onder de titel Moral Grandeur and Spiritual Audicity. Bas van den Berg maakte daaruit een selectie, die hij zodanig vertaalde dat de kracht van Heschels taal daarin duidelijk tot klinken komt. Een gedicht uit het dramatische jaar 1933 en een grafrede voor Heschels vriend Reinhold Niebuhr, christelijk theoloog, voegde hij toe. Ook voorzag hij zijn bundeling van een voor- en een (uiterst informatief) nawoord. De chronologische volgorde van de essays heeft hij aangehouden en daarmee komt ook de gestage verschuiving in blikrichting tussen de jaren dertig en de jaren zestig helder in beeld.

Chassidische waardenconcepten

In het eerste gedeelte overwegen beschouwingen die centrale begrippen uit de chassidische traditie (vgl. 205-211) als ‘omkeer’, ‘toewijding’ en ‘heiliging’ in hun vele dimensies oprecht en zuiver invoelbaar en navolgbaar te maken. Gaandeweg voegen zich opstellen daarbij die eerder uitgaan van het handelingsniveau – zoals bidden, redden, lernen, het doen van mitsvot of het bedrijven van ‘theopoëzie’ – , maar ook die werkwoorden zijn niet buiten hun uitwerking op het innerlijk, en buiten de waardenconcepten van de traditie te verstaan.

De inzet van de doordenking bij het geladen woord ‘toewijding’ (19-33) herinnert mij aan de hartstocht van protestantse theologen uit de opwekkingsbewegingen in de 19e eeuw, met dit verschil dat bij hen de vroomheid gepaard ging met streng-doctrinaire afgrenzingen terwijl Heschel die laatste nadrukkelijk naar een tweede plan verwijst. Inmiddels had zich de godsdienstwetenschap, met haar historische en psychologische methodiek, gemeld en je merkt dat Heschel deze nieuwe vraagstelling probeert tegemoet te treden én te corrigeren door te tonen dat centrale vroomheidscategorieën er heel anders uit zien als je ze van binnenuit, vanuit een besef van het staan voor het aangezicht van de Ene Levende, verstaat. De wijsgerige fenomenologie van het interbellum schiet hem daarbij te hulp. Ware toewijding is niet een visie, evenmin een rite, maar een reactie op een Stem, een bereidheid in te stemmen met Zijn wil en zo het transcendente in het menselijk leven te verifiëren.

Om nu de indruk te vermijden dat de relativering van het belang van geloofsleer bij Heschel ook het belang van geloven/vertrouwen zelf als waardenconcept zou degraderen, haal ik een paar uitspraken aan uit het aan dat kernwoord gewijde essay (49-61). ‘Geloven is iets wat uit de ziel opkomt.’ ‘De ziel geeft zich over aan het geheim, niet uit berusting of wanhoop, maar vanuit eerbied en liefde’. ‘De mens kan vertrouwen op God als God zich kan toevertrouwen aan de mens.’ Zo is geloven ‘het zich gewaarworden van deze goddelijke wederkerigheid en kameraadschap’. Dan is er ‘een nieuw ontwaken van verwondering en verrassing in onze ziel’. ‘De mens kan vele goede redenen hebben te aarzelen een stap voorwaarts te zetten, maar’ – en hier komt de titel van de bundel tot articulatie – ‘waar mensen geen moed hebben, geen vooruitziende blik en geen vertrouwen,’ ‘komt er geen waarachtig handelen tot stand.’

Kabbalistisch waardenconcept

Tot de chassidische overlevering behoort ook haar mystiek. De inzichten van de kabbala heeft ze als vanzelf in zich opgenomen, en Heschel ziet in zijn essay daarover (91-114) geen enkele reden dat te problematiseren. De leer van de Sjechina, de verborgen Tegenwoordigheid die Israël begeleidt in zijn diepgaande ervaringen van ballingschap, ja die zélf in ballingschap ging, is daarvoor te centraal in de joodse ervaring. De technische uitvoering die vooral de Zohar als verdiepte, symbolische verdubbeling van de Tora biedt, wordt door Heschel getrouw weergegeven, maar in al die techniek gaat het tenslotte met kwetsbare middelen om een vormgeving aan het verlangen ‘om een machtig doel, namelijk een zeker einde aan de verlossing te bewerken’. Waarom dit element in de traditie onmisbaar is, is – zo lees ik de strekking van dit essay – gegeven met dat doel, dat in het gehele jodendom (volgens de weergave van Miskotte in zijn studie van 1933) centraal staat, namelijk de verwerkelijking van de ‘correlatie’: het is de dienst van de mens, ‘God kracht te geven’, ‘de verstrooide letters van de heilige Naam te verenigen in gebed’, ‘voor God te zorgen’, en zo ‘de zegen op te roepen uit de bron der bronnen’, dat is vanuit ‘het innerlijk leven van de Ene Oneindige (En Sof)’.

Profetie en Tora

In twee essays van deze bundel lees ik een verwijzing naar de twee laatste grote boeken van Heschel. De tekst ‘Een voorwoord bij het verstaan van openbaring’ (115-120), geschreven voor een bundel bij de 80e verjaardag van Leo Baeck in 1954, vormt een goede introductie bij zijn boek over de profeten. Door alle nieuwere psychologische en sociologische studies naar de functie van religie is de grote vraag van alle eeuwen onder tafel geraakt, zo klaagt hij, namelijk: ‘wat vraagt de Ene van ons?’ Het gebod de medemens lief te hebben woont namelijk niet in het zelf. Het moet je gezegd worden. En dus moet je ontvankelijk zijn, de Stem van de Heilige zoeken in de mensenwereld. Het is een erfenis van onze pagane historie te veronderstellen dat het Opperwezen een totaal mysterie is. Nee, sinds Abraham wendt de Levende zich tot de mensheid, en dus is het mogelijk voor de mens Zijn werkelijkheid te verstaan, ja zelf plaatsvervanger te worden voor goddelijke gerechtigheid.

En dan is er de Tora uit de hemel (187-204). God, Tora en Israël zijn drie realiteiten die alleen in wederkerige afhankelijkheid bestaan. Als de Tora niet gegeven zou zijn op de Sinaï, zou de kosmos in chaos terugkeren. Want met de zegen van de Tora komt de zegen van een geordende schepping ter wereld. Het is aan Israël, een heiligdom te maken zodat de Ene er kan verblijven. Met de aanvaarding van de Tora aanvaardt Israël God. Tegelijk is het zaak, dit niet totalitair te interpreteren. Hij die de Tora geeft, blijft altijd meer dan de Tora. Soms dient iemand delen van de Tora op te heffen zodat hij voor God kan handelen. De Tora die we hebben is het onrijpe fruit van hemelse wijsheid. De genade van God bijvoorbeeld gaat altijd alle bijbelse standpunten en verwachtingen te boven.

Toespraken voor protestant en rooms-katholiek gehoor

In twee toespraken uit de bundel begeeft Heschel zich in christelijk gezelschap. De eerste vormde zijn oratie als hoogleraar aan het Union Theological Seminary in New York (ooit presbyteriaans, inmiddels zeer multireligieus) in 1965 (141-156) en de tweede hield hij bij een toespraak voor RK-theologen in Toronto, 1967 (157-170). Hij komt er rond voor uit, zoon van Abraham te zijn, ‘een pluk brandhout geplukt van het vuur op een altaar waarop Satan miljoenen mensenlevens heeft uitgeroeid’ en benadrukt het belang van toenadering nadat het nazisme een opstand tegen de Bijbel heeft ingezet. Hij verhult niet waar gesprekspunten zich aandienen: gaat het om ‘de Joodse notie van God’ of om ‘De God van Israël’, ofwel: gaat het om een begrip of om een Naam? – dat maakt alles uit. Is er echt afstand genomen van de Jodenzending? Bevat de Tora uitsluitend Wet in contrast met Evangelie (zoals nog Emil Brunner beweert)? Kunnen we, zoals de God-is-dood-theologen stellen, werkelijk afzien van het spreken over de Ene omdat de gestalte van Jezus van Nazareth zou volstaan? – of kunnen we boven het kruis uit de hand naar elkaar uitreiken? Gaat het om individuele redding of valt er nog uit te zien naar de Messiaanse verlossing voor allen? Kortom, al die vragen die ons de afgelopen zestig jaar tot gezamenlijk ‘lernen’ hebben aangezet.

De flaptekst stelt: ‘deze essays verdienen het om in allerlei groepen en verbanden waarin men samen leert besproken te worden’. Die functie te vervullen wens ik het boek graag toe, en de Stichting PaRDeS heeft bij de boekpresentatie op 26 november jl ook alleszins getoond, tot de begeleiding van dergelijke lees- en leesgemeenschap in staat en bereid te zijn.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie