Alex Stock, Poetische Dogmatik. Gotteslehre 2. Namen; Roodkoper

A

Alex Stock

Poetische Dogmatik. Gotteslehre. 2. Namen

2005 Ferdinand Schöningh, Paderborn

Vanuit de – zeker in het algemeen taalgebruik, maar ook bij sommige geleerde beoefenaars van de discipline – gangbare opvatting van ‘dogmatiek’ lijkt het bijvoeglijk naamwoord ‘poëtisch’ daar slecht bij te passen. Want ‘dogma’, dat duidt toch op beslistheid en onaantastbaarheid, en de ‘wetenschap’ die daarbij hoort kan toch weinig anders uitrichten dan nog eens met ijzeren consequentie logisch ‘bewijzen’ wat toch al vast staat? Hoe kan zo’n vloeibaar en ontregelend genre als de poëzie daar ooit mee in verband worden gebracht? Welnu, aan wie bereid is enkele clichés voor een moment te vergeten kan dat wel duidelijk worden gemaakt. Want historisch gesproken is het christelijk dogma een heel wat meer incidenteel en voor de hoofdstroom van het wijsgerig denken atypisch fenomeen dan men vaak denkt en zeker voor de antieke poëzie staat creativiteit veel minder in spanning met het soort ‘regulering’ van de taaluitingen dat ook het dogma (naar men steeds meer inziet) ooit beoogde. Maar of zulke, op zichzelf nog abstracte, inzichten nu ook inhouden dat zoiets als een ‘poëtische dogmatiek’ ook zinvol en mogelijk is, dat kan alleen de praktijk van zulk een onderneming bewijzen.

Alex Stock, emeritus-hoogleraar voor de theologie en haar didactiek te Keulen, is nu al jaren bezig om het te bewijzen. Van zijn project dat deze naam draagt zijn sinds 1995 al 4+2 banden verschenen en het is daarmee nog niet ten einde gebracht. De bedoeling ervan is de volgende. Het gaat om ‘dogmatiek’, dat wil zeggen om een presentatie van het christelijk geloof die naar een zekere samenhang en volledigheid streeft. Maar de stof daarvan wordt niet, of zeker niet alleen gevonden in de officiële leerstellige beslissingen van de kerk, maar veeleer in het verspreide materiaal aan uitingen dat gevonden wordt in gebeden, gezangen, gedichten, beeldende kunst, verhalen en dergelijke. De samenhang van dit alles, voor zover daarvan al sprake kan zijn, valt niet te vinden in een strenge systematiek maar nog het meest in de liturgie. En de methode is niet die van de bewijsvoering of het strakke betoog, maar die van het commentaar: het omspelen, analyseren, nader verklaren en actualiseren van de voorliggende ‘tekst’ (die dus ook uit beeld of geluid kan bestaan).

De voordelen van deze werkwijze zijn vele. Zo kan op deze wijze recht worden gedaan aan het godsdiensthistorische gegeven dat ook de christelijke religie nu eenmaal ontspringt aan de cultus en de bij die cultus behorende ‘mythe’ (het verhaal) en dat de verantwoording op het niveau van het denken daarvan een begeleidingsverschijnsel vormt, in plaats van omgekeerd. Bovendien honoreert het de contingentie ofwel de historische toevalligheid van het gebeuren waarop deze religie berust. En het houdt ook in de wijze van presentatie rekening met de min of meer fragmentarische vorm waarin het verhaal aan de deelnemer van de cultus verschijnt: in een liturgische samenkomst klinkt er immers altijd een enkele perikoop, nooit ‘het grote verhaal’ als zodanig. Daarnaast staat de commentaarvorm tamelijk gemakkelijk toe, dat er uitingsvormen naast elkaar worden gezet die elkaar op een louter theoretisch niveau lijken tegen te spreken: stem en tegenstem krijgen veel meer de kans om zich elk voor zich volledig uit te spreken, als ze niet onder de denkdwang worden gebracht om zo snel mogelijk in een hogere synthese te worden gevangen, al zal dit ‘voordeel’ door meer scholastisch aangelegde geesten eerder als een ‘nadeel’ worden opgevat.

Het project begon met vier banden over Christus. Dat ligt ook voor de hand, voor zover hier het beeldmateriaal verreweg het meest rijk aanwezig is en ook de grote kerkelijke feesten alle rond het verhaal van Christus zijn gegroepeerd. Inmiddels is vorig jaar al weer de tweede band ‘over God’ verschenen, een aspect van het geloof dat voor een poëtische beschouwing op het eerste gezicht heel wat minder grijpbaar lijkt.

De drie delen van deze band laten goed zien hoe Stock te werk gaat. Het eerste deel heet ‘Vocatief’, aanroepende wijs. Alle grote theologen hebben dit immers geweten: een mens spreekt eerder tot God dan over God. Dat ‘tot God spreken’ moet vooral niet al te zwaar worden genomen. Het gebeurt al in nauwelijks bewust geuite tussenwerpsels, in een ondoordachte vloek. Maar het kan oplopen tot zuchten, schreeuwen (het uittochtverhaal begint daar!), klagen, wanhoop uiten, jubelen maar ook verstommen. Het tweede deel heet ‘Naam’. We weten allang dat de namen voor God veelzeggender zijn dan de denkmatige bepalingen van zijn ‘wezen’ of ‘eigenschappen’. Maar daarmee zijn ze nog niet eenvoudig in hun eigen aard te onderkennen, minder makkelijk tenminste dan in de eerste band de namen voor Christus. Een Stem spreekt in het gebeuren, maar hoe moeilijk te bepalen is de aard van die stem en hoe onaanvaardbaar is het vaak wat de stem spreekt (neem alleen maar het: ‘neem je zoon, je enige, die je liefhebt, en ga, en doe hem opgaan ten offer…’). En tenslotte: hoe hebben de mystici altijd onbenoembare van elke naam onderkend en verlangd naar een staat aan alle namen voorbij! In deel drie gaat het dan toch over God als ‘Begrip’. De hele geschiedenis van de westerse metafysica en metafysicakritiek komt hier nog eens voorbij, maar dan wel vanuit ‘poëtisch’ oogpunt: elk godsbewijs of anti-godsbewijs verschijnt zo veel minder dan als een algemeen inzichtelijke waarheid alswel veeleer juist als een hoogst particulier verhaal.

Zien we naar de stof, dan kunnen we een goede indruk verkrijgen welk een diverse ‘bronnen’ Stock bij elkaar zet voor zijn theologisch commentaar. In deel een ontmoeten we, naast de dagelijkse taaluitingen, vooral kerkliederen uit vele eeuwen. In deel twee behalve Socrates, Dionysius de Areopagiet, Thomas Mann, Kierkegaard, Rembrandt en de Niceense en de Vaticaanse concilieteksten  vooral ook twee teksten van Huub Oosterhuis (over wie Stock al eens eerder een monografie schreef): namelijk ‘Zoon van…’ (uit ‘Zien, soms even’) en ‘Litanie’ (‘God van Abraham / nacht en woestijn….’ tot en met ‘moeilijke vriend’). In deel drie, wat traditioneler, Plotinos, Anselmus, Thomas, Descartes, Spinoza, Kant (met wiens ‘Kritik der Urteilskraft’ ofwel esthetica Stock zijn eigen theologisch project nog het liefst in verband zou brengen) en Derrida, maar dan aan het slot toch ook, al het voorgaande overtreffend en tegelijk zijn plaats wijzend, de afbeelding ‘Grenzen van het verstand’ van Paul Klee.

Aan het begin van zijn lange weg had Stock verheugd de Joodse denkers Jakob Taubes en Gershom Sholem geciteerd, die er beiden op wezen dat een religie zich waarschijnlijk het beste laat beschrijven aan de hand van haar liturgie en haar levensordening. Hij hield wel de mogelijkheid open, dat een dergelijke gedachte om de theologie vanuit de liturgiek te ontwikkelen wel eens eerder katholiek dan protestants gedacht zou kunnen zijn (waarvoor hij overigens, terzijde opgemerkt, ook zijn merkwaardigerwijs ongenoemd gebleven antipode, de eerder ‘conservatief’-katholieke Hans Urs van Balthasar met zijn ‘Theologische Ästhetik’ en ‘Theodramatik’ als getuige had kunnen aanvoeren: voor Stock noch voor Von Balthasar ken ik een protestantse pendant). Op dit vlak meen ik, als ‘protestants’ theoloog, hem toch wel gerust te kunnen stellen. Ondanks alle tegenslagen op het vlak van de officieel-kerkelijke oecumene hebben we – met uitzondering van de onbeleerbaren aan beide zijden – in de afgelopen decennia toch zoveel van elkaar geleerd, dat zich een dergelijk project ook als oecumenische onderneming heel goed denken laat. Eerder dan bij de liturgisch-poëtische inzet zie ik nog een probleem ontstaan bij de opvatting van dogmatiek. Want waar Taubes en Sholem aan dachten was de wijze waarop Franz Rosenzweig Jodendom en Christendom had geschetst aan de hand van beider feesten, is die benadering (dat is juist haar sterkte) eerder ‘fenomenologisch’ dan ‘dogmatisch’ te noemen. Veel commentaar bij Stock blijft ook in die sfeer van het fenomenologische. De altijd maar weer kritische protestant verwacht bij een dogmatiek echter ook nog een element van correctie op dat wat tot nog toe geleerd wordt. Nu kun je zeggen: bij Stock werkt de presentatie van een veelheid van verhalen naast elkaar zelf al als een correctief op een ‘dogmatisch’ christendom. Het wordt zo immers onmogelijk om een enkel verhaal absoluut te stellen. Dat is juist, maar dan blijft toch de vraag hoe het verhaal dan tegelijk als ‘leer’ (in de zin van Tora: onderricht) kan functioneren. In Stocks commentaar (in het tweede deel) op de beroemde parabel van de ‘drie ringen’ uit Lessings Nathan der Weise blijven de ‘Geschichten’ van de Jood, de moslim en de christen naast elkaar staan en komt het er vooral op aan, in de kracht van het eigen verhaal te vertrouwen, in een houding van liefde en zachtmoedigheid jegens dat van de anderen. Fenomenologisch zal dat wel het laatste woord moeten zijn, maar is dat theologisch ook zo? Moet er niet ook nog een stap worden gezet van het zien naar het horen, van het esthetische naar het ethische, van het poëtische naar het dogmatische (dogma hier opgevat in de zin van ‘beslissing’)? Deze vraag blijft wat mij betreft open. Maar haar beantwoording is bepaald geen noodzakelijke voorwaarde om niet ook daarzonder door Stocks werk enorm te worden verrijkt.

Rinse Reeling Brouwer

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie