7 november Oostzaan Lucas 19:41-48

7

Ds. Rinse Reeling Brouwer

Verkondiging in de Grote Kerk te Oostzaan op zondag 7 november 2010, de eerste zondag van de Voleinding

Schriftlezing: Lucas 19:41-48

Goede vriendinnen en vrienden, gemeente van onze Heer,

De eerste grote geschiedschrijver van de kerk, Eusebius, bisschop van Caesarea en raadsman van keizer Constantijn, schreef over de woorden van Jezus die we zojuist uit het evangelie gehoord hebben toen hij toekwam aan zijn beschrijving van de verschrikkingen van de Joodse oorlog in augustus van het jaar 70 van de eerste eeuw van onze jaartelling (Hist. Eccl. III.7). Zo is het gegaan, zei hij: de vijanden, namelijk de Romeinen onder aanvoering van de keizerszoon Titus, zijn gekomen, ze hebben verschansingen opgeworpen, Jeruzalem omsingeld, moordpartijen begaan en geen steen op de andere gelaten (vss. 42,43). Jezus heeft dat met zijn profetische en goddelijke geest voorzien en er ook de reden voor aangeduid: omdat zij, de Joden, Gods toewending tot hen niet hebben willen onderkennen en dus niet hebben begrepen van hun tot vrede diende, omdat zij namelijk Jezus als Gods afgezant hebben vermoord, gekruisigd, daarom zijn ze door God, met gebruikmaking van de Romeinen als zijn instrument, gestraft en van hun stad beroofd. En dus, moet je er bij Eusebius wel bij denken, is de rol van de Joden in de geschiedenis sindsdien uitgespeeld en begint, zeker nu we over een christelijke Romeinse keizer beschikken, onze rol in de geschiedenis, en kan Jeruzalem nu een christelijke stad worden. Het was dan ook in die dagen dat Helena, moeder van de keizer, een bedevaart naar de heilige stad maakte, het kruishout terugvond en de stad maakte tot een plaats van aanbidding in Christus’ naam.

Deze herinnering aan een aloude uitleg van onze tekst geeft wel aan hoe gevaarlijk een beroep daarop kan uitpakken. We spreken dat wel van datgene ‘wat de vrede van de stad dient’, maar binnen de kortste keren hebben we het over onze, christelijke claims op die stad ten koste van anderen, van Joden eerst, van Moslims later: denk aan de tijd van de kruistochten. Alle reden daarom ons af te vragen: moeten we echt zo lezen? Wil het evangelie dit zeggen: de Joden hebben hun kans gehad in die stad te leven met hun God, maar ze hebben het zelf bedorven, tot Jezus’ verdriet, zeker, maar toch ook tot een oordeel? Laten we nader kijken.

Als we het evangelie naar Lucas in zijn geheel bezien, valt op welk een belangrijke rol de stad Jeruzalem en de tempel in die stad van begin tot eind spelen. Het begint al met Zacharias, die als priester dienst doet in de tempel (Luc. 1:5v.v.) en vooral met de twaalfjarige Jezus die in die tempel aan de voeten van de leraren zit en aan zijn bezorgde ouders verbaasd vraagt: ‘zocht u mij? Wist u niet dat ik moet zijn in de dingen van mijn vader?’ (Luc. 2:49) – die leer je dus blijkbaar in de tempel, ‘de dingen van mijn vader’. En het eindigt er ook weer mee: Jezus heeft zijn leerlingen gezegend, scheidde van hen ‘en zij keerden terug naar Jeruzalem en waren voortdurend in de tempel, God lovende’ (Luk. 24:52). In het midden dan tussen dat begin en dat einde staat het uitvoerige verhaal, de hele tweede helft van het evangelie, waarin Jezus ‘zijn aangezicht richtte, strak naar Jeruzalem’ (Luc. 9:51). Alle gedeelten, die hier in de afgelopen zomer en herfst volgens leesrooster in dit huis geklonken hebben, stonden in dat verband: de tekening van de weg die Jezus aflegde op de weg naar de stad, naar zijn stad. Daaraan vooraf ging het verhaal van zijn verheerlijking, waar hij op de berg met Mozes en Elia sprak ‘over de ex-hodos, de uitgang, de uittocht die hij te volbrengen had te Jeruzalem’ (Luc. 9:34). De weg die hij te gaan had stond dus uitgetekend bij Mozes en Elia, in Wet en Profeten. De Schriften van Israël functioneren als het ware als de landkaart, de routeplanner voor de weg die de Gezalfde van de Heer moet afleggen naar de stad waar hij, naar diezelfde Schriften, intocht zal houden. Dat is meteen al een ernstig tekort van de wijze waarop Eusebius dit evangelie las: hij had wel de geschiedenis van Rome met zijn keizers in zijn hoofd, maar Mozes en Elia met hun lied van verlangen onvoldoende. En dan lees je anders.

Ik breng u nog een paar etappes van de route in herinnering. In Lucas 9 (vss. 52-56) gaat Jezus op naar Jeruzalem, maar moet daarvoor door het Samaritaanse land. De Samaritanen lezen de wet van Mozes anders. Zij menen dat ‘de plaats waar de Heer zijn naam zal laten wonen’ (Deut. 12) zich ergens anders op de landkaart bevindt dan te Jeruzalem. Dat raakt dus de pijnlijke problematiek van het ánders geloven, en wel op grond van dezelfde tekst. Jezus is duidelijk: hij is Jood, dus voor hem is Jeruzalem dé plaats. Maar tegelijk vermaant hij zijn leerlingen, niet als Elia vuur uit de hemel op de Samaritanen te laten neervallen: geen geweld dus tegen anders-gelovenden, geen strijd om die plaats waar je zoveel hoop in investeert!

Dan, in hoofdstuk 13 (vss. 31-35) wordt Jezus in verzoeking gebracht: zou hij zijn opgang wel vervolgen, nu Herodes hem wil doden? Zijn antwoord: ‘het is niet welgevallig / dat een profeet verloren gaat / buiten Jeruzalem (…). Hoe dikwijls heb ik Jeruzalem’s kinderen willen vergaderen zoals een vogelmoeder haar nest onder de vleugels neemt. Zie, uw huis wordt u gelaten…’ – wat te lezen valt als: Jeruzalem heeft nog tijd, heeft nog kans zich onder de moedervleugels te begeven.

Vervolgens, in de lezing van nog maar enkele weken terug, Lucas 17 (vss. 11-19): tien melaatsen zijn gereinigd, slechts één keert om teneinde ook dank te zeggen voor zijn genezing. Waarom slechts één? Waarom niet alle tien? Als er tien omkeerden, was er een Minjan, een Joodse gemeente. En waar tien rechtvaardigen zijn, is de stad gered (denk aan Abrahams voorbede voor Sodom, Gen. 18). Maar er blijken geen tien rechtvaardigen te zijn. De spanning neemt dus toe.

En zo komen wij dichter bij ons gedeelte van vanmorgen, en krijgen wij beschreven hoe Jezus steeds nadrukkelijker de stad en de tempel nadert, naderbij komt (Lukas 18:35.40; 19.11.29.37.41). ‘Het koninkrijk der hemelen is nabij, bekeert u en gelooft het evangelie’, melden de andere evangelisten aan het begin van hun verhaal (Mar. 1:5, Mat. 4:17). Lucas heeft dat daar niet, maar neemt het motief hier op, nu Jezus Jeruzalem nadert. Het koninkrijk is daar nabij, waar de Koning intocht houdt in zijn stad, in zijn huis. En zo staan hier die vier werkwoorden: hij nadert – hij ziet – hij weent – hij zegt (vs. 41). U voelt de dynamiek: eerst de schok van de ontmoeting – het zien – dan het verdriet over wat hij ziet – het wenen – en dán pas het spreken, spreken door de tranen heen. Er is ooit een orthodoxe theoloog geweest die meende dat Jezus, krachtens zijn godheid, nooit had kunnen lachen. En er waren tijden waarin het fatsoenlijk, dus christelijk werd geacht, je emoties niet te laten blijken, en dus zeker niet te huilen. Maar Jezus was de emotionele, zo niet de theatrale mens die we nog altijd juist in het Midden-Oosten kennen, en dat, zou ik zeggen, niet ondanks maar juist krachtens zijn Godheid: immers in Hem, in zijn naderen, blijkt hoezeer God zelf bewogen is om het lot van deze stad, om de kinderen in haar. Als Jezus namelijk eenmaal spreekt, spreekt door zijn tranen heen, zegt hij: ‘och, had ge nu toch maar onderkend de kairos, de beslissende tijd van de episkopè, de toewending tot u’ (vs. 44). Het gaat om Gods episcopaat, zijn opzicht, zijn ‘bezoeking’ (om het met de Statenvertaling te zeggen). Zo na, zo naderbij komt Hij zelf in zijn toewending, waarin God zich laat kennen als een gebeuren waarin zulk een toewending geschiedt.

En dan het contrast, dat Eusebius zo fascineerde. Er is het ogenblik van toewending, maar er is tegelijk ook de miskenning, de onwil. ‘Nu is het nog verborgen voor uw ogen, maar er komen dagen… waarin uw vijanden verschansingen opwerpen / u omsingelen / u benauwen / u en uw kinderen tegen de grond slaan / geen steen op de andere laten…’ (vss. 42-43). Is dit nu een ‘voorspelling’ van Jezus, hem eventueel door de evangelist achteraf in de mond gelegd, zodat wij, ook achteraf, kunnen zeggen: zie je wel, zo is het gegaan, Jezus had het goed gezien? Misschien is dat zo, maar toch niet per se. Al deze woorden die Jezus hier spreekt, staan namelijk al geschreven, en wel bij de profeten van Israël (in het bijzonder bij Jeremia) en in de Psalmen (speciaal Psalm 137: ‘aan Babels stromen zaten wij gevangen…’). Zoals Jezus zijn weg dus voorgetekend vond bij de profeten, zo Jeruzalem haar lot. De tranen konden al opkomen bij de jaarlijkse lezing van het boek Klaagliederen, wanneer de val van de tempel herdacht werd, en die tranen worden hier weer opgeroepen bij het zien van de stad. Straks, wanneer hij naar het kruis gaat en vrouwen hem beklagen en bewenen (ook weer zo’n oosters tafereel), zegt Jezus: ‘weent niet over mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen…’ (Luc. 23:28). Jezus wijst dus van zichzelf áf. Hij wijst op het lijden van Jeruzalem meer dan op zijn eigen lijden – en dus kán eigenlijk niet, wat keizerin-moeder Helena deed: het kruis gaan verheerlijken zonder de samenhang, de onverbrekelijke band te bedenken tussen die man aan het kruis en de stad waarbuiten hij gekruisigd werd.

Nu kunnen we ons afvragen: waarom nu deze verdubbeling? Waarom nu nogmaals die vernietiging van stad en tempel, als die in profeten en psalmen al beschreven staat? Even verderop, wanneer Jezus spreekt over datgene wat er met de tempel te gebeuren staat, horen we: ‘wanneer jullie Jeruzalem omsingeld zien door legerkampen / weet dan / dat dit de dagen zijn van de rechtzetting / waarin alles wat geschreven staat wordt vervuld / want dit volk zal als gevangene worden weggevoerd onder de volkeren’ (Luc. 21:20-24). Alles wordt vervuld, Jeremia de profeet wordt vol-gemaakt, en daarmee komt Israël onder de volkeren terecht. Misschien bedoelt Lucas het wel aldus: de eerste verwoesting van stad en tempel, door Babel in de dagen van Jeremia, was een verwoesting die alleen de Jood aanging en die tot herbezinning in het Joodse volksbestaan aanleiding gaf. Maar bij deze tweede verwoesting kan niemand afzijdig blijven. Alle volkeren zijn erin betrokken. Eusebius maakte daarvan: Israël heeft de stad verspeeld, en nu is zij aan ons, gekerstende volkeren geschonken. Ik denk veeleer: nu, door deze tweede vernietiging, zijn alle volkeren, zijn wij allen dus bij deze geschiedenis betrokken geraakt en is zij daarmee universele geschiedenis geworden. Wat aan déze stad valt af te lezen, wat in déze tempel geleerd is, levert ons allen beslissende kennis op. En dus is de kritiek op de stad en op wat tot haar vernietiging geleid heeft, een kritiek dus ook terugslaat op ons allen. Aan het slot van het evangelie horen we: ‘alles moet vervuld worden, wat van mij geschreven staat in de Wet van Mozes, in de profeten en in de Psalmen’ (Luc. 24:44). Op de ene plaats staat dus: ‘alles wat geschreven staat over Jeruzalem zal worden vervuld’…, op de andere plaats: ‘alles wat over mij geschreven staat, moet worden vervuld.’ Zo nauw hangen die twee samen: de Messias en zijn stad. Ze zijn onverbrekelijk verbonden. En wat God verbonden heeft, mag een mens niet scheiden (Mar. 10:9).

Het naderen van de stad, dat Jezus tot tranens toe beroert, krijgt onmiddellijk een vervolg in het binnengaan van de tempel (vs. 45a): de tempel maakt immers het hart uit van deze stad. En dat binnengaan leidt bij Jezus meteen ook tot een andere kant van zijn emotie, die zojuist nog tot tranen leidde: het reinigen van dit huis van gebed door het uitdrijven van de handelaren, die hij – opnieuw met woorden van de profeet Jeremia – van roof beschuldigt (vss. 45b, 46): zij hebben ‘de dingen van mijn vader’ tot zich getrokken, tot hun eigen zaakje gemaakt. We zeggen heel vroom dat het om God gaat, maar zijn we er zeker van dat het niet heimelijk om onszelf gaat? – het verschijnsel is van alle tijden en van alle godsdiensten, de onze niet uitgezonderd. En meteen na deze uiterst kort vermelde handeling horen we: ‘en hij gaf dag aan dag onderricht in de (inmiddels dus gereinigde) tempel’ (vs. 47a). Zo kan hij nu weer, kan hij na zijn twaalfde jaar nu eindelijk weer zijn ‘in de dingen van zijn Vader’, dat is in de geheimenissen van de Schriften, van Mozes en de profeten en kan hij nu zelf ook anderen deelgenoot maken van alles wat hij daar ‘in de dingen zijns Vaders’ ontdekt. ‘En heel het volk hing aan hem door naar hem te horen’ (vs. 48b): hij geeft niet alleen onderricht, hij vindt ook gehoor, en er gebeurt iets met degenen die naar hem horen. Zo blijkt er in de tempel wel degelijk een Jeruzalem te zijn dat besef heeft ‘van de beslissende tijd van Gods toewending tot haar’: de meester treft hier een leerlingenschaar, de bruidegom een bruid, de priester een tempel, de koning een volk.

            Toch is er ook de tegenstand: ‘de overpriesters en schriftgeleerden zochten hem verloren te laten gaan, en zo ook de eersten van het volk’ (vs. 47b). Er is dus ook een groep leiders die niet verstaan wat tot hun vrede strekt. Nu nog wordt zij weerhouden door het gegeven dat het volk hóórt naar deze stem (vs. 48a), maar we weten dat het niet daarbij blijft. Nu ja, dat wil zeggen: alles moet nog vervuld worden wat van Jeruzalem geschreven staat, zo goed als alles vervuld moet worden van wat hém geschreven staat: hij wordt omgebracht, maar zal opstaan – het volk zal benauwd en tegen de grond geslagen worden én onder de volkeren terecht komen. Dat laatste is beslissend. Het houdt met hém niet op. Maar het houdt ook niet op met ‘heel het volk’ in de tempel dat ‘aan hem hing door naar hem te horen’. Dat volk, dat hórende volk, komt terecht onder de volkeren. En zo is het nog onder ons! Het is alsof de evangelist Lucas de tempel van Jeruzalem verpakt in een evangelieboekje en zo voor de Heer het naar Hem horende volk, dat in de tempel lering ontvangt, onder alle volkeren verspreidt. Ik zou daarom zeggen: de tempel van Jeruzalem was toen en daar, maar de tempel is, doordat ‘alles is vervuld wat geschreven staat’, ook nú en híer! ‘Heden, zo gij zijn Stem hóórt…’ (Ps. 95:7.8). Niet horen, het missen van de beslissende tijd, leidt tot verwoesting en verderf. Maar hóren bewerkt een weten van dat wat ons tot vrede strekt. Hoe zal ik dan eindigen? ‘Laten wij dan horen…’, op de wijze van een aansporing? Nee, ik eindig met een constatering: wij hóren, want we zijn een volk dat aan Hem hangt, en dat dús de vrede zoekt voor de stad. Zo is het toch?

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie