6 juli Lucas 10:1-20 te Zonnemaire

6

Ds. Rinse Reeling Brouwer, Amsterdam

Verkondiging in de dienst van zondag 6 juli 2025, de 3e van de zomer, te Zonnemaire

Schriftlezingen: Jesaja 66:10-14; Lucas 10:1-20

Gemeente, u, werkers tot de oogst,

In het vorige gedeelte (volgens het leesrooster dat van de vorige zondag), is een belangrijk punt in het evangelie van Lucas bereikt. Er staat daar: ‘Het geschiedde toen de dagen vervuld werden van zijn (Jezus’) opneming’ – dat is in enen die grote beweging van zijn overgang naar het dodenrijk én van zijn verheffing ten hemel –, ‘dat hij zijn aangezicht strak richtte op Jeruzalem om daarheen op te trekken’ (Luc. 9:51). En nu vandaag zendt hij anderen voor zich uit (‘voor zijn aangezicht’) om voor hem een plaats te bereiden totdat hij komt als de drager van het koningschap dat hij te Jeruzalem zal blijken uit te oefenen. Die nabijheid van zijn komen is vanaf dit ogenblik dus bepalend voor wat degenen die zijn plaats gaan bereiden zullen uitstralen (vs. 8.11). Dat komen heet ook ‘de oogst’, dat is een beeld uit de profeten van Israël voor de ‘laatste goddelijke rechtspraak’, het moment waarop duidelijk wordt wie waar staat onder de volkeren (Joël 4:12vv.).

Eerder al heeft Jezus ‘de twaalf’ uitgezonden (Luc. 9:12), dat is een aantal gelijk aan het getal van de stammen van Israël, en nu zijn het er twee-en-zeventig, dat is naar het getal van de volkeren volgens de opsomming in Genesis 10 (in de Griekse Bijbel), waarbij we moeten bedenken wat Mozes zingt in zijn laatste lied: ‘toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel toebedeelde, heeft hij hun grenzen bepaald naar het getal van de zonen van (Jacob/) Israël’ (Deut. 32:8). Er waren dus in Israël al de zeventig oudsten uit de twaalf stammen (Num. 11:16), maar die wezen vooruit naar álle volkeren op de aarde onder de hemel voor wie de Wet van Mozes tenslotte is bestemd. En zo is ook onze tekst van vanmorgen uit meerdere lagen samengesteld. Op het eerste gezicht worden de werkers tot de oogst erop uitgestuurd (vs. 2) naar plaatsen in Galilea en omgeving (zoals Chorazin en Bethsaïda in het negatieve, en Kapernaüm in meer nog onbesliste zin – ik werk dat nu vanmorgen niet nader uit; vss. 13-15), hoe dan ook plaatsen waar Jezus tot hiertoe heeft rondgetrokken, en daarmee horen we dus een verslag van de wegbereiding toen, toen Jezus daar en daar naar Jeruzalem optrok. Maar tegelijk horen we ook over de situatie ná Jezus’ levenseinde te Jeruzalem, uitlopend op zijn hemelvaart, waarbij de leerlingen gezonden worden onder de 72 volkeren onder de hemel om, – onder de aansporing van hun Heer die hen vanuit het verborgene in de hemel leidt op hun wegen – (om) de enorme wereld van de volkeren voor te bereiden op zijn (weder)komst en op de dag van het gericht. Door die meervoudige gelaagdheid van de tekst is het ons onmogelijk gemaakt, om deze alleen maar tot ons te nemen als een bericht over een gang van zaken toen en daar, nee, wij zijn in het geing. Wij, hoorders van het evangelie, zijn geroepen om voor onze Meester een plaats te bereiden en om door ons handelsen om ons heen voor te bereiden op zijn komen door hen toe te rusten tot paraatheid nu het moment van de oogst aanstaande is.

In welke gesteldheid worden zij, worden wij dan gezonden? Mij valt op dat er geen sprake is van een stevige zendingsorganisatie, goed op orde, militair gedisciplineerd, ter christelijke kolonisatie van de wereld. Geen taal als van John Mott, de leider van de YMCA aan het begin van de vorige eeuw: ‘The Evangelization of the World in this Generation’. Nee, ga simpel op weg twee aan twee (v. 1), dat wil zeggen als getuigen: want bij een rechtszaak zijn er in de Bijbel altijd twee getuigen nodig. Maar als getuige kun je alleen maar worden opgeroepen, als ánderen je vragen wat jij – in dit geval: van de Heer Jezus te vertellen hebt. Als niemand je iets vraagt, heb je ook niets te zeggen. Verder ben je weerloos, als lam tussen wolven (vs. 3), een beeld dat ons in dit land opeens weer levend voor ogen staat. Dat Hij hekken om ons heen zet, zegt de Heer er niet bij. Verder: zonder beurs, plunjezak of sandalen, zelfs zonder van jou uit met een vredegroet een gesprek te beginnen onderweg (v. 4) – iets wat veel evangelisten in onze tijd heel moeilijk zal vallen. Je moet bedenken dat jij niets bezit, dat je niet louter uit je arsenaal, je eigen rijkdommen, kan gaan uitdelen, dat je zelfs over de wáárheid van Jezus als de Heer niet kunt beschikken, omdat Hij die waarheid is die ook aan jou, zoals aan alle andere mensen, alleen maar geschonken kan worden (v. 22!). Nee, je moet maar afwachten of sommigen onder die anderen jou uitnodigen in hun huis, en dan nog ben je afhankelijk van het aanbod van gastvrijheid van de bewoners van dat huis, van een wederzijdse vredelievendheid, waarbij je je ook weer niet hoeft te schamen als je wat langer blijft, want als je naar je getuigenis wordt gevraagd en je hebt (in woord en daad) iets te zeggen, is dat eenvoudig de moeite waard (v. 5-8).

Wat je dan metterdaad als getuigenis verricht, is samengebald in de uitdrukking: ‘genezen van zieken’ (v. 9). In onze kerkelijke taal wordt dat misschien meer onder het ‘dienen’ gerekend dat het getuigen stilzwijgend onderstreept, maar als de tweeënzeventig terugkeren roepen ze vol vreugde uit: ‘Heer, zelfs de demonen onderschikken zich aan ons, in uw naam’ (vs. 17). Het genezen heeft dus allereerst betrekking op de genezing van demonen, boze geesten, die mensen geheel in bezit nemen. En die genezing, zo weten we uit talloze evangelieverhalen, kan niet gebeuren zonder dat er een krachtig woord klinkt, een bevelswoord aan die boze geesten om de ziel te verlaten waarvan ze bezit hebben genomen (Luc. 4:44, 8:27vv. etc.). In de vroege christenheid werd dit inderdaad als een elementaire taak gezien: de mens scheiden van de boze geest die bezit van hem heeft genomen. In tijden van Verlichting en het zogeheten onttoveren van de wereld werd dit als volledig achterhaald en irrelevant beschouwd. Maar het komt mij voor, dat we nu weer in een tijdsgewricht leven waar we weinig reden meer hebben om te ontkennen dat we in een ‘bezeten wereld’ leven. Hoe kan het, dat zovelen zichzelf met enorme pretenties een hoge identiteit aanmeten, en tegelijk diepongelukkig worden dat ze deze nooit kunnen waarmaken – is dat geen signaal van een inbezitneming van de ziel door een demon? Hoe komt het dat eigenbelang in elk geval in publieke uitingen zo vaak elementaire empathie overschreeuwt? Hoe komt het dat een niet gering aantal wereldleiders hun eigen grote ego veel hoger lijken te achten dan het bevorderen van recht en vrede? ‘We leven in een bezeten wereld en we weten het’, schreef Johan Huizinga in de dagen van Hitlers opkomst. Maar als we het weten, waarom achten mensen die de demonen zouden moeten uitdrijven en de zielen in diepe nood genezen, zich dan vaak zo onmachtig? Waarom horen we dan zo weinig die vreugde-uitingen: ‘Heer, zelfs de demonen onderschikken zich aan ons’? Of doen we het wel, demonen uitdrijven, veel vaker dan we denken, maar durven we vooral niet hardop te zeggen dát we het doen? Jezus, die de tweeënzeventig erop uitstuurde, ging er in elk geval vol vertrouwen vanuit, dat ze het deden, en lijkt niet al te verwonderd over hun bericht. Dat kan ons ertoe uitnodigen, er met wat meer vertrouwen mee te rekenen dat wij, die ons naar hem noemen, wellicht in ons dagelijks leven meer demonen uitdrijven, en dat ook vaker doen dan we van onszelf denken.

En nu geeft de Heer Jezus hen, en daarmee ons, daarbij een belofte, of welbeschouwd eerder een constatering mee, die ik als de climax beschouw van heel deze rede waarmee hij de zijnen uitzendt. Het Jezuswoord dat ik hier bedoel luidt: ‘Wie u hoort, hoort mij, en wie u afwijst, wijst mij af; en wie mij afwijst, wijst Hem af die mij gezonden heeft’ (v. 16). Daar wil ik nog wat uitvoeriger op ingaan.

Allereerst noemde ik het een constatering, een vaststelling van Jezus. Als ze twee aan twee gastvrijheid genieten in een bepaald huis, en ze krijgen vragen waarop ze antwoorden, ze worden geconfronteerd met een bezetene die ze van zijn of haar bezetenheid kunnen genezen, dan is de Heer Jezus eenvoudigweg zelf aanwezig in het woord dat ze spreken, in het gezag dat ze over de boze geesten feitelijk uitoefenen door hen uit te drijven uit een bezeten mensenkind. En waar Jezus aanwezig is, daar is ook Hij aanwezig die hem gezonden heeft, die hem verhoogd heeft met zijn rechterhand, zoals Petrus zegt op de Pinksterdag (Hand. 2:33) en aan wiens rechterhand Jezus naar het getuigenis van Stephanus in het boek Handelingen ook staat (Hand. 7:56).

Ieder enigszins Joods opgevoed lid van het Joodse volk kent die oer-aanzegging, waaraan hij of zij de herinnering meedraagt aan zijn huid en in zijn huis: ‘Hoor, Israël, de Ene is onze God, de Ene alléén’ (Deut. 6:4). Voor evangelisten en apostelen was het kennelijk zo, dat wie Jezus hoorde spreken – met een eigenaardig soort gezag, dat ze van anderen niet kenden – die Stem uit de Wet van Mozes op nieuwe wijze klonk en hen tot een nieuw horen opriep. ‘De schapen horen naar zijn stem, hij roept ze bij name en voert ze naar buiten, en ze volgen hem, omdat ze weten: het is zijn stem’, zo getuigt Johannes van de goede herder (Joh. 10:3v.). En: ‘Hij sprak als iemand die exousía, gezag heeft, en niet als een Schriftgeleerde’ (zoals ik hier een beetje Schriftgeleerde sta te zijn), zo getuigt Marcus meteen al aan het begin van zijn evangelie (Mar. 1:22).

Het woord ‘gezag’ heeft in het Nederlands een akelige klank gekregen. We spreken van ‘gezagsdragers’, en in de jaren zestig van de vorige eeuw had ‘HET gezag’, als de zittende macht, eenzelfde soort negatieve lading als het woord ‘elite’ nu bij rechts en links heeft gekregen. Gezaghebbers,  die moet je wantrouwen, want ze beroepen zich op een autoriteit die ze eerst nog maar eens moeten waarmaken. Dat is het algemeen gevoelen, en het heeft ook zijn redenen dat we het woord wantrouwen, en dat het ook steeds meer in onbruik lijkt te raken. Toch is het een prachtig woord. Gezag, dat verstaan we vaak als: ‘het voor het zeggen hebben’, en dan stellen we al snel de vraag: ‘hoezo dan? waarom dan?’ Maar het klinkt al anders als je het omschrijft als: ‘iets te zeggen hebben’. Dat kan ook nog duiden op autoriteit: een rechter heeft het uiteindelijk voor het zeggen omdat hij in een rechtszaak een oordeel moet vellen. Maar je kunt de uitdrukking ook inhoudelijker opvatten: ‘even stil, graag; wat zegt ie nou? Ik geloof dat Hij/zij ons iets te zeggen heeft…’. Dat is denk ik bij Jezus aan de hand: hij heeft iets te zeggen wat we zó nog niet wisten, of wat we wel wisten maar wat we door de kakofonie van geluiden om ons heen vergeten waren. Laten we toch maar even goed luisteren. ‘Gezag, dat is het gezegde zelf, als het zich in zijn eigen aard aan ons aandient. Het wordt ons niet opgelegd, maar aangeboden. Het treedt aan het licht en trekt ons tot het licht. Het legt beslag op ons, meer zoals een kunstwerk dat doet dan zoals een betoog het zou doen. Het wint ons hart niet door het te onderwerpen maar door het te bevrijden’, schreef dominee Miskotte in 1966 (Bijbels ABC H I). Dat was evangelieverkondiging in de jaren zestig, en ik denk dat er ook nu nog of nu weer veel mensen zijn, die er zeer van zouden opknappen, ja die vreugde en vrijheid voelen als ze dát meemaken: dat iemand iets te zeggen heeft, niet vanuit zijn functie, maar vanuit het gezegde, datgene wat hij of zij te zeggen heeft zélf.

De reformatie van de 16e eeuw, waaruit onze kerk is geboren, was in hoge mate een gebeuren waarin dit nieuw werd ontdekt. Men hoorde wat men noemde ‘het Woord van God’ als nieuw. Men was leergierig, of beter hoor-gierig, om te horen wat ons vrijheid en vreugde brengt. Men wilde ook weer heel graag predikers horen, omdat, zoals Heinrich Bullinger uit Zürich het formuleerde ‘de prediking van Gods Woord Gods woord is’ (Conf. Helv. Post. Glosse bij Art. 1,2). Ik weet niet, wie van ons nog zó, met deze verwachting ter kerke gaat, en dus niet verwacht een zoveelste Schriftgeleerde te horen, maar een Woord met het gezag van de Heer zelf. We verwachten uitleg, we verwachten een persoonlijk getuigenis, maar verwachten we een woord dat werkelijk iets te zeggen heeft? Toch staat dát er: ‘wie u hoort, hoort mij, en wie u afwijst, wijst mij af.’ Kunnen we dat van toepassing verklaren op het woord van de prediker, als gesteld in de dienst en de zending waartoe eerst de twaalf en toen de tweeënzeventig door de Heer zelf geroepen waren?

En het gaat nog verder. Want Jezus brengt in dit woord dat we hier bespreken zoiets als een ambt helemaal niet ter sprake. Niet van predikers speciaal spreekt hij, maar zo maar van mensen die er in zijn naam op uit trekken, zich vragen laten stellen, feitelijk genezend, demonen uitdrijvend optreden. Ieder van ons kan op deze weg gezonden, in deze taak van plaats-bereiding gesteld zijn. En dan niet eenzaam, maar tenminste altijd met een ander samen. Kunnen we het ons dan als bemoediging gezegd laten zijn: ‘wie u hoort, hoort mij’? Is zoiets niet al lang met ons gebeurd, ver voordat we ons daarvan bewust werden?

‘Hij zei hen: zie, ik heb u volmacht’ – exousía, ik had ook hier dus ‘gezag’ kunnen vertalen –  ‘gegeven om te treden op slangen en schorpioenen’ (v. 19). Want weet, ‘ik heb de satan als een bliksemflits uit de hemel zien vallen’: waar u dus bezig was om op aarde mensen te bevrijden van boze geesten die hun ziel gevangenhielden, daar zag ik tegelijk dat de aartsengelen vanuit de hemel de grote tegenstander wegslingerden (v. 18), daar kan ik u zeggen hoezeer de hele hemel heeft meegevochten in uw strijd in die bezeten wereld. Maar dat brengt dan ook het volgende met zich mee: niet dat boze geesten zich aan u onderschikken, telt uiteindelijk, maar ‘dat uw namen staan opgeschreven in de hemel’ (v. 20): die satan, ja, die wordt uit de hemel geslingerd, maar u, u die op aarde de demonen weerstaat, u bent blijvend in dat grote hemelse boek genoteerd. Want weet, zoals die nog ongenoemde evangelist, Mattheüs, getuigt: ‘Mij (Jezus) is gegeven alle gezag in hemel en op aarde’, en daarom: ‘zie, ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van deze wereldtijd!’ (Mat. 28:18.20). Amen.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie