Ds. Rinse Reeling Brouwer
Overdenking in de dienst van de Regenbooggemeente in De Ark op zondag 3 mei 2026, de 5e zondag van Pasen, zondag Cantate
Schriftlezing: Hebreeën 8:1-20 (onderverdeeld in 1-5; 6-20)
Lieve gemeente, zusters en broeders, medeburgers in Gods koninkrijk,
[1] We vieren in deze paastijd dat Jezus de lévende is. De brief ‘Aan de Hebreeën’ hoort daarom bij uitstek in deze paastijd thuis. Als gloria liet ik een hemelvaartlied zingen (‘Ten hemel opgevaren is’, Lied 661) en dat past helemaal bij de toon van deze brief. De opstanding van Jezus is daarin maar een opstapje, de nadruk ligt erop dat hij ‘de hemelen is doorgegaan’ (Hebr. 4:14) en zich daar, naar Psalm 110, ‘gezet heeft aan de rechterhand van de Majesteit’ (Hebr. 8:1) om op die plaats ‘voorspraak voor de zijnen te doen’ (Hebr. 7:25). Wat betekent het nu voor ons, wanneer we dit vieren? Gaat het misschien vooral om een meer of minder fraaie beeldspraak, terwijl de Jezus die ons bijblijft toch vooral de Jezus is van zijn aardse levensweg, zijn wonderen en zijn daden in Galilea en op zijn weg van lijden en kruis, terwijl de ten-hemel-gevaren Jezus die nú, heel dicht bij God de Vader, van daaruit beslag legt op onze harten en op onze levensweg toch vooral een voorstelling blijft van lang geleden? Anders gezegd: hoe is de Levende van wie wij zingen voor ons eigenlijk echt levend?
[2] We kunnen de vraag ook breder trekken. We vieren in dit jaargetijde de lente – maar wat vieren we eigenlijk, als het voorjaar jaar na jaar droger wordt, en steeds minder vogelsoorten nog tot broeden komen in vergelijking met nog maar enkele decennia geleden? We gedenken en vieren de komende dagen ook de 86 jaren van bevrijding van het moorddadige nationaalsocialisme – maar wat valt er te vieren, als verfoeilijke mentaliteiten en opvattingen uit die tijd in een nieuwe gedaante breed om zich heen grijpen en als het ene rapport na het andere ons vertelt dat we eigenlijk niet meer in een tijd van vrede leven, maar eerder in een onbestemde tijd van een gesteldheid die zich ergens tussen oorlog en vrede bevindt, terwijl elders op aarde verwoestende oorlogen woeden? Viéren we echt, of vieren we ‘min of meer’? Dergelijke vragen spelen mee, wanneer we de schriften openen bij de brief, of misschien eerder de lange preek van de schrijver-prediker die zich richt tot de ‘Hebreeën’, dat is: tot ons als het zwervende volk in de woestijn.
[3] Het komt vanmorgen goed uit, dat de schrijver-prediker aan het begin van ons tekstgedeelte nog eens even formuleert wat hij voor de ‘hoofdzaak’ houdt van zijn betoog (vs. 1). Het gaat hem om het ambt van Jezus als priester, ja als hogepriester. In de christelijke traditie – ik denk aan de Heidelbergse Catechismus (HC Z 12/vr. 32) – is dat priesterschap doorgaans verbonden met het offer dat hij als Gezalfde met zijn eigen lichaam heeft gebracht aan het kruis. Dat lijkt niet de opvatting van onze schrijver-prediker te zijn. Hij wijst erop, dat Jezus via zijn pleegvader Josef – die volgens Lukas uit het huis en geslacht van David was (Luk. 2:2) – ‘opkwam uit (de stam) Juda’ (ook Mat. 1:2), ‘over welke stam Mozes niets gezegd heeft betreffende priesters’ (Hebr. 7:14): priesters komen immers uit de stam Levi. Pas na zijn dood kon Jezus bij zijn hemelvaart worden bekleed met dit priesterschap, en dan wel – zoals we de afgelopen zondagen al meerdere malen konden horen – naar de orde niet van Aäron, uit de stam Levi, maar van Melchisedek, de koning-priester van Salem die Abraham als uit het niets, of uit de eeuwigheid zo maar tegemoetkwam (Hebr. 5:6, 6:20 etc.). Net als aäronitische priesters komt hij met offers en gaven (vs. 3), maar waar zij ook om verzoening moesten bidden voor zichzelf en voor hun huis, is hij helemaal beschikbaar om offers te brengen en voorspraak te doen voor ánderen – zoals hij ook is: mens voor anderen (Bonhoeffer). Hij doet dat, heet het even verderop (Hebr. 9:12), dan ook niet met bloed van bokken en kalveren. Dat is weer evenmin het bloed dat bij zijn dood gevloeid heeft – ook niet het bloed van het paaslam, dat in het evangelie naar Johannes vloeit precies wanneer Jezus sterft (Joh. 19:33-37) en waarop Willem Barnard zinspeelt in de slotstrofe van het lied dat we zo dadelijk gaan zingen (TT 152)[i] –, maar dat is niet meer dan een kleine hoeveelheid van zijn bloed die hij als hogepriester sprenkelt over het verzoendeksel in het hemelse Heiligste der Heiligen. Aan deze priesterlijke handelingen in het hemelse, waarin hij helemaal beschikbaar is voor de zijnen, ontlenen wij, die op hem vertrouwen, op de aarde onze troost, onze hoop en ons uitzicht op vrede.
[4] Nu is het niet geheel duidelijk, waar in de tijd we deze brief-of-liever-preek situeren kunnen. De geleerden zijn het er niet helemaal over eens. Zeker is, dat de indrukwekkende tempel van Herodes in Jeruzalem aan het eind van de Joodse opstand in het jaar 70 door de keizerszoon Titus is vernietigd. Maar stamt deze tekst nu van daarvóór of van daarná? Dat is in zoverre al lastig vast te stellen, omdat de Hebreeënbrief voortdurend spreekt over de dienst in de tent van ontmoeting, woning of tabernakel die door Mozes werd opgericht in de woestijn, maar niet over de latere tempel. Toch kan het gaan over ‘de eerste (aardse) tent die nog staat’ (Hebr. 9:8) in de tegenwoordige tijd[ii], dus dan kan je denken dat de tempel nog niet vernietigd is. Anderzijds is het ook goed mogelijk, de Hebreeënbrief op te vatten als een suggestie voor een antwoord op die grote crisis in het bestaan van het Joodse volk, waarin de tempel wegviel als centrum van het volksleven voor alle joden, waar ze ook woonden in heel die bewoonde wereld van het Romeinse Rijk en zelfs daarbuiten. De farizeesch-rabbijnse beweging vond daarop een antwoord door te leren dat de dierenoffers in de tempel voortaan te vervangen waren door de drieslag van inkeer/omkeer, gebed en het doen van barmhartigheid: de tempeldienst kwam daarmee heel dicht bij het dagelijks leven van elke joodse familie te staan. Voor de aanhangers van Jezus als de Gezalfde aan de rand van het jodendom van die tijd kwam de brief ‘Aan de Hebreeën’ dus met een ander voorstel: nu er geen offerdieren meer geslacht konden worden en nu de tempeldienst tot stilstand was gekomen, viel voortaan alle aandacht te vestigen op Jezus, de hogepriester die dienstdeed in het hemelse heiligdom, en in die samenhang konden, gedragen door geloofsvertrouwen, ook hier dan praktijken rond inkeer, gebed en barmhartigheid een plaats vinden. Wanneer we de tekst van Hebreeën ook moeten dateren, het effect van het leveren van een dergelijk antwoord op een grote crisis in het joodse volksbestaan zal deze in de loop der jaren hoe dan ook gehad hebben.[iii]
[5] Dit antwoord is nu mede gedragen door een herlezing van de boeken van Mozes. Aan het eind van Exodus 24 klimt Mozes de berg op om daar, veertig dagen en veertig nachten lang, instructies te krijgen aangaande de inrichting van de tent, waarin de Ene te midden van zijn volk wil wonen. Het verbond met het volk Israël is gesloten, en nu is het zaak dat de Here God ook bij dat volk aanwezig kan zijn. Voor deze instructies krijgt Mozes daarboven nu, zo heet het, een ‘model’ van Gods woning te zien (Ex. 25:40, vgl. ook 25:9). Er zijn in het Oude Nabije Oosten wel meer voorbeelden van zo’n in de hemel al klaarliggend model[iv] en later, in de Griekse tijd, wordt dat model uitgebreid tot een hele tempelruimte die in hoger sferen al bestaat, en waarvan de aardse uitvoering dan ‘afbeelding of schaduw’ is, zoals het hier heet (vs. 5). Je komt dan in de sfeer van Plato, voor wie onze zintuigelijke, tastbare wereld niet meer is dan een flauwe weerspiegeling is van de eigenlijke wereld, die van de ideeën, van de geestelijke waarheid. Sommige Griekse joden legden Mozes ook wel erg in de geest van Plato uit. Bij de Hebreeënbrief lijkt me dat maar zeer ten dele het geval. De hemelse tempel is hier namelijk niet louter iets geestelijks. De Bijbel opent al op de eerste bladzijde met de tweeslag van de hemel en de aarde. Dat tweetal duidt niet op twee werkelijkheden, die helemaal uit elkaar liggen. Er is wel een onderscheid: ‘de hemel is de hemel van de Heer / de aarde heeft hij aan de mensenkinderen gegeven’ (Ps. 115:16). Je kunt zeggen: de hemel is het verborgen, de aarde het zichtbare aspect van de werkelijkheid; of: de hemel is onze toekomst, de aarde is het heden van een verdwijnende wereldorde – met als perspectief, als hoopvol vooruitzicht, dat de hemel zal neerdalen naar de aarde. Zó moeten we ook het hemelse heiligdom in Hebreeën verstaan, waar Jezus als liturg (vs. 6) – als publieke ambtsdrager en dienaar – optreedt: dáár gebeurt in het verborgene al iets, wat vanuit de hemel op de aarde zijn uitwerking zal hebben!
[6] Terug naar Mozes dus, terug naar het hemelse model dat hij daarboven heeft geschouwd. Maar het ‘terug’ is, als bij elke reformatie, ook bedoeld als een ‘opnieuw’! Laten we opnieuw beginnen bij dat hemelse heiligdom, zoals dat nu ook kán nu Jezus daar als hemelse hogepriester is toegelaten! Want met Mozes is er iets misgegaan. Dat lag niet aan Mozes, dat lag er wel aan dat het door hem bemiddelde verbond tussen God en het volk kapot is gevallen door de rebellie, die voortdurend optrad bij de tocht door de woestijn. Mozes heeft zijn best gedaan, maar hij moest uit woede over het stierkalf de tafelen kapotslaan. Een krachtiger verbond is dus nodig, met een krachtiger middelaar. Althans, traditioneel wordt het Griekse woord dat hier staat (mesítès) om Christus met Mozes te vergelijken als ‘middelaar’ vertaald (vs. 6). Bij Paulus komt het ook voor, maar Paulus zegt: Mozes was inderdaad een bemiddelaar, die de berg op en af rende om een deal te sluiten tussen de Ene en het volk, maar Christus is dat niet, want hij staat niet tussen de partijen, maar is één, zoals de God van Israël één is (Gal. 3:19.29, vgl. 1 Tim. 2:5). Ik denk dat onze schrijver/prediker evenmin aan een tussenfiguur denkt, en daarom heb ik het woord vertaald als de ‘borg’ van het verbond. In die term heeft hij in het voorgaande ook al van Jezus gesproken (Hebr. 7:22 – wel met een iets ander woord, maar als vertaling van mesítès past het ook). Dat wil zeggen: Jezus, de Zoon (Hebr. 1:2 etc.) staat met heel zijn persoon als borg in voor dit verbond, hij zegt als het ware: stel mij er maar voor aansprakelijk; ík neem de schulden van het volk als overtreder van dit verbond op mij; en ík zal de voortgang ervan garanderen. Dat is een aspect van het ‘er zijn voor anderen’, dat Jezus zegt: als het jullie te zwaar is, ‘neem mij maar’.
[7] Dan volgt een lang citaat uit het boek van de profeet Jeremia (vs. 8-12 = Jer. 38:31-34 LXX, vgl. 31:31-34 Hebr.]. Dat is boeiend, want ook Jeremia was geconfronteerd met een grote crisis in het volksbestaan. Het volk was in ballingschap gevoerd, of eigenlijk eerst in twee staten uiteengevallen en daarop in twee verschillende ballingschappen gevoerd: het Noordrijk Israël in Assur, het Zuidrijk Juda in Babel (vs. 8). Een nieuw verbond moet beide uiteengevallen volksdelen weer samenvoegen, maar ook de ongehoorzaamheid tenietdoen die het volk had bedreven. Het begon al vroeg, zegt de profeet: al meteen na uittocht uit Egypte ‘bleven zij niet in het verbond’, en dat leidde ertoe – zegt de Griekse tekst, die de Hebreeënbrief hier citeert’ – ‘dat Ik, de Ene, mij al snel niet meer om hen bekommerde’ (vs. 9). De Torah als wet stond tegenóver hen, en zij wensten zich er blijkbaar niet aan te houden. Je zou kunnen denken dat de profeet nu met een morele oproep zou komen, een appel: ‘houd je toch alsnog aan de Torah!’ Maar hij zegt het anders. Hij laat de Here God zeggen: ‘ik zal mijn Torah’ – die ik voor Mozes op de stenen tafelen schreef – ‘nu in hun denken leggen / en in hun harten schrijven; zó zal ik hen tot God zijn en zo zullen zij mij tot volksgemeenschap zijn’ (vs. 10). We voelen dus wel: geen appel dat van buiten komt, maar een nieuwe geest van binnen die ervoor zorgt dat mensen de geboden spontaan en uit zichzelf doen. Een prachtig visioen, dat Jeremia voorzag voor ná de ballingschap en dat onze schrijver-prediker dus graag overneemt voor de nieuwe dagen van crisis na het wegvallen van de Tweede Tempel: de externe, disciplinerende instituties vervangen door een nieuwe innerlijke mentaliteit. Dat is een visioen van mystiek aangelegde geesten van alle eeuwen, óók in de Joodse wereld, ook bij Paulus wel (denk ik). Een visioen ook dat in grotere en kleinere reformatiebewegingen steeds weer moeilijk bleek vol te houden, maar dat toch tot het geloof van profeten en apostelen behoort. Een visioen tenslotte, dat ook pedagogische gevolgen heeft: ‘niet langer zal eenieder zijn medeburger’ – de Hebreeuwse tekst zegt: zijn ‘naaste’, de Griekse tekst: zijn ‘medeburger’ (polítès), want een beetje Griek is in de stad, de polis, de politiek geïnteresseerd – ‘onderwijzen en het willen opleggen: “je moet de Heer kennen!”, want allen zúllen Mij kennen, van klein tot groot’ (vs. 11. Een prachtig ideaal voor het christelijk onderricht: geen onderwijsinstellingen meer, geen catechese meer, maar we zijn allemaal zowel leerling als leraar, en we leren het elkáár. Ach, als dat toch eens waar werd, ik zou dan ook als leraar en hoogleraar een heel ander bestaan hebben kunnen voeren, al heb ik toch ook dikwijls ervaren wat het is, van leerlingen te leren…
[8] En nu nog het slot, nog wel even een vers om op te kauwen: ‘door te spreken van [een] ‘nieuw’ [verbond], heeft hij (de profeet) het eerste tot oud verklaard; en wat oud en grijs is geworden, is de verstarring nabij’ (vs. 13). Als je ‘oud’ leest als het verbond via Mozes en ‘nieuw’ als dat met Jezus als borg, en als je dan ook nog de geschreven tekst van het verbond als de Torah, en de in het hart geschreven tekst als het Evangelie gaat invullen, dan kun je een uitspraak als deze opvatten al een vrijwel definitief afscheid van de synagoge, als een opzeggen van de verbinding met het Jodendom door een christelijk auteur. Zo’n lezing is wel mogelijk, maar ik acht haar allerminst noodzakelijk. Tenslotte ligt het inzicht al in de Torah besloten, dat het hemelse heiligdom een ánder model kan tonen dan wat ervan op aarde als nabootsing terecht is gekomen. En dat de letter vraagt om de Geest, juist om de letter te verstaan, hebben we zojuist de profeet van Israël horen zeggen. Niet voor niets sprak ik daarstraks enkele malen van ‘reformatiebewegingen’. Het is eigen aan de beweging die zowel de Bijbel aandrijft als vanuit de Bijbel uitgaat, om telkens weer te zoeken naar vernieuwing van het verbond, naar impulsen die vérder voeren door de crises heen en boven de crises uit. In het verlangen daarnaar en in de zoektocht om zo verder te komen, kunnen de kaarten telkens weer anders blijken te liggen dan je op grond van gegroeide scheidslijnen zou verwachten. En wat dan met het gegeven dat het voorstel van onze briefschrijver/prediker door het meerderheidsjodendom niet is aanvaard? Nu ja, het is ook nogal wat: om van die nieuwe hogepriester in de hemelen te spreken. Het vraagt grondig herlezen van de schriften én een grondige bereidheid tot verbondsvernieuwing. Of een gevestigde christenheid de vrijheid van Jeremia’s vernieuwde verbond aanvaardt, lijkt me ook zeer de vraag. Laten we daarom hoe dan ook, wie we ook zijn en waar we ook vandaan komen, de uitdaging die de schrijver-prediker ons voorhoudt vrijmoedig in overweging nemen. Amen.
[i] David M. Moffitt, Rethinking the Atonement (2022), 142.
[ii] Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is’ (1997), 324.
[iii] D. Monshouwer, Het hart van de Torah (1992), 49.
[iv] U. Cassuto, A Commentary on the Book of Exodus (1967), 322.