29 juni Willem de Zwijgerkerk Afscheid Frits van Katwijk Romeinen 8:31-39

2

Ds. Rinse Reeling Brouwer

Overweging bij de dienst ten afscheid van Frits Jan van Katwijk in de Willem de Zwijgerkerk te Amsterdam op zaterdag 29 juni 2002

Schriftlezing: Romeinen 8:31-39

Goede vriendinnen en vrienden,

Jarenlang zat ik – als ‘assessor’, bij-zitter, heet dat in het kerkelijk Bargoens – naast Frits van Katwijk als hij de vergaderingen van de Centrale Kerkenraad voorzat. Het was altijd weer afwachten, hoe hij zou ‘openen’. Wat had hij uitgezocht? Hád ie wel iets uitgezocht? Zou hij er uit komen, als hij wat hakkelend begon te spreken? Hij kwam er altijd uit, net als hij er in de rechtbank altijd uitkwam, stel ik mij zo voor. Maar hij had niet altijd wat uitgezocht. Als ie het helemaal niet meer wist, dan greep hij naar deze tekst, die Friederike zojuist heeft gelezen: het slot van die ‘lofzang op de hoop’, die Paulus opschreef in het achtste hoofdstuk van zijn zendbrief aan de Romeinen: ‘Wat zullen wij van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?…’ (Rom. 8:31, NBG-vertaling). Vertrouwde klanken, voor wie een beetje met de grote woorden van de christelijke traditie is opgevoed. Maar dat wil nog niet zeggen, dat we ons er ook van bewust zijn, wat er in deze vertrouwde klanken gezégd wil zijn. Of, concreet, zoals ik me in de afgelopen dagen bedacht toen juist deze bijbelverzen bij mij bovenkwamen na het schokkende nieuws van dit overlijden: het wil nog niet zeggen, dat we weten wat een ongetwijfeld intens gelovend mens als Frits als hij het verder niet meer wist juist naar deze verzen telkens weer deed grijpen.

          ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ (vs. 31). ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?’ (vs. 35). Geen macht, hoe breed die zich ook maakt, geen schepsel dat zich qualitate qua onder God bevindt zal daartoe in staat zijn! (v. 39). Wat we hierin kunnen horen is vóór alles een betuiging van afhankelijkheid en van aanhankelijkheid. Wie hier aan het woord is spreekt de taal van een door liefde vervuld mens, en dat is altijd een beetje een uitzinnige, een strikt logisch genomen excessieve, beetje lijpe taal. Dat ik nou toch ‘verkoren’ ben (vs. 33), dat een ander het oog op mij heeft laten vallen en niet aflaat om dat te doen: daar kan ik niet bij, dat kan ik niet geloven, maar dat stel ik wel vast en dat wakkert de jubel in mij aan! Wat een wonder: het wonder, te zijn liefgehad!

De rouwkaart spreekt van ‘onze vrolijke en lieve Frits’. Ja, ‘lief’was hij: velen van ons hebben dat de afgelopen dagen tegen elkaar gezegd. Een ontzettende aardige, charmante man, ja zeg maar rustig: een charmeur – waar we eerlijk gezegd als moderamen ook wel eens gebruik van hebben gemaakt, als het erom ging om een al te weerspannige kerkenraad of commissie over een streep te trekken waar deze maar liever niet overheen ging: Frits wist het dan zo te brengen, dat het toch moeilijk viel om te blijven weerstreven. Maar goed, als hij zo al was in de zakelijke omgang, hoe intenser moet zijn charme zijn geweest voor de vrouwen die hij heeft liefgehad, voor zijn kinderen, voor allen die hem na stonden. En toch is het dát niet, waarbij wij ons in dit uur laten bepalen. Want wie kent de liefde die in een ander mens huist? Nadere psychologische beschouwing kan ook nog heel andere dingen aan het licht brengen. Ik weet bij toeval ook van tijden, waarin Frits’ liefdeleven heel instabiel was, en ik vermoed eigenlijk dat het zo onpeilbaar droevig verdwijnen van de vader in zijn leven een trauma heeft betekend, een gat heeft geslagen dat nooit meer te dichten was. Spreken over de liefde die in iemand huist is ook altijd spreken over een tekort. Maar dáárover spreken wij nu niet. Ook niet over de liefde tot God of over de geloofskracht die in hem was, want ook daarvan geldt: hoe kunnen we die ooit meten, bij wie onze naaste is? We zijn dankbaar, voor wat we aan effecten van de onverzettelijke stuwkracht tot verandering en vernieuwing, ook van het gemeenteleven,  die deze mens dreef, maar het is niet aan ons, de innerlijke substantie daarvan te bepalen. De bijzondere voorkeur van Frits voor onze tekst uit Romeinen duidt ook niet dáárop, op zoiets als zijn geloof in eigen kracht, maar op dat andere, op het ‘niets kan mij scheiden van de liefde van Christus’, niet de liefde die in hem was, maar de liefde die hem geschonken werd, die op hem toekwam, waar hij in de relationele betrekking die Christus tot hem was aangegaan in betrokken was.

Over wat voor liefde, agapè (vss. 35, 37, 39) spreekt de apostel? Allereerst moet je zeggen: over de liefde van God. Paulus heeft daarvan ervaren in dat wat voor hem – en met hem in feite voor ieder christenmens – het allergrootste trauma is geweest in het bestaan: het elimineren, de kruisiging van hem, die ervaren is als ‘de meest geliefde zoon’. Paulus ziet daar God de Vader optrekken met Jezus de Zoon, zoals ooit eens vader Abraham optrok met Izaäk, zijn eniggeboren liefste zoon, om hem te ‘verhogen’ (Gen. 22); deze vader ‘heeft zijn zoon niet gespaard’, maar ‘voor ons allen overgegeven’ (vs. 32). Dat is een in onze tijd heel moeilijk na te voltrekken beeld. Moderne lezers bevroeden hier een soort sadistische vader, die bereid is zijn zoon op te offeren: en dat hij het ‘uit liefde’ zegt te doen, maakt het alleen maar erger. Ik kan er nu vanmorgen niet veel over zeggen, maar zoveel lijkt me duidelijk, dat een dergelijke duiding bij Paulus blijkbaar niet in zijn hoofd is opgekomen. Hij krijgt juist vanwege een dergelijk traumatisch gebeuren fiducie in deze God, die blijkbaar geen anderen opoffert om zichzelf hoog te houden maar die zelf een offer durft te brengen omwille van de mensen die Hij lief heeft. Hij durft zelf tussen beide te komen. Hij durft in zijn zoon (als een wezenlijke gestalte van zichzelf) zelf keiharde klappen op te lopen, zodat het toch eindelijk eens ophoudt, dan mensen elkaar opofferen voor zogenaamd hogere doelen. Dat is de ‘liefde Gods’: Hij spaart zichzelf niet.

          Maar de ‘liefde Gods’ heeft ook nog een andere dimensie. Daarvan horen we in de slotwoorden, waar sprake is van ‘de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer’ (vs. 39). Er is de liefde van God, die we leren kennen daar waar Hij in zijn zoon voor ons tussen beide komt. Maar daarmee en daarin is er ook de liefde, die deze zoon heeft bewezen jegens God. Zo kun je de slotregel namelijk ook vertalen: ‘geen schepsel kan ons scheiden van de liefde tot God, welke is in Christus Jezus, onze Heer’. In Christus licht de liefde van God tot een mens op, maar ook de liefde van een mens tot God. In hem was een en al toewijding, een en al zoeken van het verlorene, een en al ontferming over het zwakkere. En kijk, daar heb je dus het hele diaconaat! En daar heb je ook de diaken, die Frits van Katwijk was, al is het niet direct de diaken die hij naar menselijke maatstaven beoordeeld was, maar die hij was in de liefdevolle ogen van die God, voor wie zijn werken waren als een welriekend offer!

De geëxalteerde apostel zegt nu dus: die liefde van God in Christus, die God mij schenkt en die God mij wederkerig ook hem doet schenken, daar zit ik aan vast, daar kom ik niet van los, daar kan niet tussen komen of scheiding in aanbrengen. Hij roept het uit op bezwerende toon, en dat is niet voor niets. De taal van de liefde is heftig, maar de tegenkrachten zijn er dan ook naar! Het zou immers maar al te zeer voor de hand liggen, als de verkorene wel werd losgerukt uit deze band, als hij wel uit het gebeuren van deze agapè wegviel. Bovenpersoonlijke grootheden, te groot voor een enkel mens – ‘dood of leven, engelen of machten, heden of toekomst, hoogte of diepte’ – kunnen hier in de weg staan. En die grootheden, al benoemen wij ze misschien niet meer op deze wijze, zijn ook in ons leven maar al te reëel! Laten we enkele ervan nader bezien.

          Eerst: de grootheden van dood en leven. Het leven, allerlei keuze die je in je leven maakt, kan je uit de baan van de liefde slingeren, maar de dood lijkt het wel aller-definitiefst te doen! Is een mens met zijn sterven niet vér van God geraakt? Zal de lofzang tot God niet ophouden in het dodenrijk? De bijbelse mensen, dat weet u wel, hebben daar maar al te zeer mee gerekend. Niettemin, opnieuw, er is dat oerchristelijke trauma: ‘Jezus Christus, de gestorvene’ – en er is dat, wat zich naar het oerchristelijk getuigenis aan gene zijde van dat trauma bevindt: ‘de opgewekte, die is ter rechterhand Gods’ (vs. 34), van wie Paulus zegt dat hij door hem is gezien en door hem is geroepen. Sinds die ene zoon is ‘verhoogd’, sinds zijn liefde dus blijkbaar in het sterven geen einde heeft gevonden, kan het ook voor hen, die in die liefde mogen delen, dus niet zo zijn dat de dood sterker zou zijn dan de liefde! De apostel houdt daar hardnekkig aan vast. En het is toch wat, dat een door het apostelwoord geraakt mens als Frits ons bij een kerkelijke vergadering, hoe vervelend die ook kon worden, steeds maar weer aan wilde herinneren dat wij daar óók aan vast moesten houden…!

          Vervolgens: de grootheden van verdrukking of benauwdheid, vervolging of gevaar, of het zwaard’ (vs. 35). Tja, dat is nogal wat. Paulus herinnert op deze plaats van zijn brief de gemeente aan wie hij schrijft aan de jodenvervolgingen, die plaatsvinden in de hoofdstad des Rijks en waar zij zelf onder te lijden hebben. En hij haalt ook de 44e psalm aan, in de traditie van synagoge van alle eeuwen de psalm, waarin de diepe nood van alle verbanningen, pogroms en gaskamers samenkomen: ‘we worden de ganse dag gedood, om uwentwil, we zijn gerekend als slachtschapen’ (vs. 36 = Ps. 43:23 Septuaginta). We aarzelen natuurlijk, om dit overhaast te actualiseren. Want we samen hier zijn het Joodse volk niet, en ‘verdrukte christenen’ zijn we maar in heel bepáálde zin misschien te noemen. Kunnen wij ons zulke uitspraken wel toe-eigenen? De Amsterdamse predikant W.G. Overbosch, van wie we allen zoveel geleerd hebben – zijn gedachtenis zij tot zegen – vond van niet: hij vond het om die reden dan ook hoogst ongepast, om een radicale tekst als het slot van Romeinen 8 bij een uitvaart te lezen (Mededelingen Van der Leeuwstichting nr.57, pag. 143). Nu ja, met wat Overbosch al dan niet passend vond moeten we maar een beetje losjes omgaan. Ook als er onder ons geen harde vervolging plaatsvindt, dan nóg kan gelden, dat een mens in zijn leven keuzes maakt, die hem enigermate marginaliseren en die de spotlust van anderen opwekken. Nietwaar: wie kiest er nu voor de sociale advocatuur, als er met jouw opleiding in een andere sector zo veel meer valt te verdienen?

          Tenslotte noem ik nog: de grootheden van onrecht en veroordeling. ‘Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?’ ‘God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen?’ (vss. 33, 34). We worden, hier en overigens in het hele lange eerste deel van de Romeinenbrief, naar een rechtszaal verplaatst. Maar het is eerder een soort nachtmerrie voor wie vaak in een rechtszaal moet verkeren. Een droom die doet denken aan ‘Het proces’ van Franz Kafka. Een advocaat vereenzelvigt zich dermate met zijn cliënt, met al zijn cliënten, hij beseft zo goed, dat daar nu wel een schlemiel zit die een vonnis boven het hoofd hangt, maar dat de grens maar smal is en dat hij daar net zo goed zou kunnen zitten, dat hij zichzelf als een door een gerechtelijk oordeel gevonnist mens gaat zien. Doch nee, zegt Paulus: ‘er is geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn’ (Rom. 8:1). Want Christus Jezus, de opgewekte, is het ‘die ter rechterhand Gods voor ons pleit’. Maar de pleitbezorger, de advocaat, mag hier ook de rechter zijn. De liefde van God, zoals die tot uitdrukking komt in deze advocaat Christus, spreekt vrij wie voor de wet schuldig zijn, verklaart tot ‘rechtvaardigen’ wie naar menselijk oordeel nou niet bepaald en in alle opzichten daarvoor gehouden zullen worden.

We sluiten af. Wat hebben we gehoord? Een mens, die wist dat die ander hem oneindig liefhad, sprak uit, (1) dat de enorme kloof die de dood van het leven scheidt het niet van die liefde kon winnen, (2) dat de spotlust van een maatschappij die neerziet op het zwakke het niet kon, en (3) dat de hardheid die het recht soms eigen kan zijn het evenmin vermocht. Of Frits van Katwijk die door hem geliefde tekst zelf zo zou hebben uitgelegd? Ik weet het niet; hij kon zich tegenover ons, schriftgeleerden, soms nogal nederig beroepen op zijn theologische onderontwikkeling. Maar hiervan ben ik zeker: hij heeft met deze woorden en uit de kracht van deze woorden geleefd! Bidden wij, dat ze over de doodsgrens heen over dit leven van hem blijven stralen! Amen.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie