28 juni Jeremia 29 en Mattheüs 10:34-42 met zegen over twee geliefden Oude Kerk Amsterdam

2

Uitleg en verkondiging in dienst Oude of Sint Nicolaaskerk, Amsterdam, op 28 juni 2026, de 2e zondag van de zomer

Schriftlezingen: Jeremia 29:1.4-14 en Mattheüs 10:34-42

Caro [Ritsma] en Marcel [van Blijenburgh], gemeente die gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten [Ef. 2:20], en u allen die vandaag in dit huis aanwezig bent,

[I] Marcel en ik hebben de afgelopen jaren telkens het contact onderhouden met de predikers voor ‘Het Hoge Woord’, hier vanaf deze kansel te houden. Het ging om mensen uit een maatschappelijke sector (justitie, toneel, wetenschap, inlichtingendienst, defensie, literatuur – velen van u weten het), die we vanuit de Oude Kerkgemeenschap vroegen om met de hun eigen expertise hun licht te laten schijnen op de Bijbelteksten van de zondag. Bij dat laatste waren we strikt: het oecumenisch leesrooster was leidend, en met déze teksten voor déze zondag moesten ze het doen! Af en toe heeft het er wel toe geleid, dat iemand die we toch graag hadden gehoord maar die afhaakte, daarvoor het argument aanvoerde zelf de teksten te willen kiezen. Maar we waren onverbiddelijk; het was graag of niet.

En dan nu vandaag. Marcel en Caro aan de ene kant, de regelaars van voorgangers aan de andere kant, kwamen voor hun huwelijksinzegening in overleg bij de datum van deze zondag uit. En hoe luidt het evangelie van vanmorgen? Dat Jezus zegt: ‘Ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; huisgenoten worden elkaars vijanden! Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard’ (Mat. 10:35-37). Nou, ideale tekst voor een huwelijksinzegening! Waar Jezus verschijnt, komen alle relaties binnen families onder druk te staan. Ouders en kinderen, zowel aan manlijke als aan vrouwelijke kant, dus oudere generaties (vader en moeder) en jongere (zoon en dochter) raken van elkaar vervreemd. Jezus stelt bij de zijnen de trouw aan hem bóven zulke trouw binnen families, en neemt het risico van breuken binnen de verhouding van de zijnen tot hun verwanten op de koop toe.

Bij deze of gene komen misschien akelige herinneringen boven. Bijvoorbeeld aan de gevolgen van kerkscheuringen in bepaalde orthodox-gereformeerde kringen, of aan de generatieconflicten bij de culturele omwenteling in de jaren zestig van de vorige eeuw. Dergelijke burgeroorlog-achtige toestanden leverden spanningen op van een type, dat je ertoe doet neigen de hele religie maar de rug toe te keren.

Maar ja, Marcel en ik konden moeilijk onszelf een uitzonderingspositie gunnen die we anderen consequent ontzegd hadden. Het ligt ons beiden karakterologisch ook niet, op zo’n wijze weg te duiken. En Caro kent haar Marcel, en mij inmiddels ook een beetje, en gaat er dus in mee: we zullen het toch met deze tekst moeten doen.

[II] Eerst maar wat informatie. Het evangelie dat naar Mattheüs genoemd is kent vijf grote redevoeringen uit de mond van Jezus, vermoedelijk een kleine knipoog naar de vijf boeken van Mozes. Hier bevinden we ons in de tweede rede, doorgaans ‘de uitzendingsrede’ genoemd (Mat. 9:35-11:1). Jezus roept zijn twaalf discipelen bij name en stuurt ze meteen als apostelen op weg (10:2). Aanvankelijk krijg je de indruk dat zij namens Jezus in zijn eigen dagen werk moeten verrichten, zodat zijn invloed een groter bereik krijgt. Maar gaandeweg lijkt het erop, dat we als hoorders van het verhaal verplaatst worden in een latere periode, die waarin de evangelist als schrijver van de tekst zelf leefde.

Tijdens zijn arrestatie zal Jezus een leerling, die een zwaard trekt en het oor van een dienaar van de hogepriester eraf slaat, berispen en zeggen: ‘trek het zwaard terug op zijn plaats’ (26:51). Maar nu zegt Jezus: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’ (vs. 34b). Dat hangt samen met die latere periode, waarin er sprake is van scherpe conflicten binnen en tussen Joodse geloofsgemeenschappen, met op de achtergrond een slim opererend Romeins gezag dat groepen maar wat graag tegen elkaar uitspeelt. Aanklachten, verraad en vervolging zijn aan de orde van de dag en dus ook binnen families ontstaan hevige twisten rond de vraag wie welke kant kiest. Het lijkt er dan om te gaan welke partij je kiest tussen de partijen. Maar dat lijkt me toch niet de visie te zijn die de evangelist ons wil overbrengen.

[III] De houding van Jezus tegenover huwelijk en gezin valt niet gemakkelijk te typeren. Soms klinkt hij conformistisch, als een pleitbezorger voor de overgeleverde verbanden, en nog wel een stevige ook. Daartoe uitgedaagd, spreekt hij zich uit tégen echtscheiding, en noemt het instituut van een scheidingsbrief een concessie die de wet alleen maar ‘vanwege de hardheid van jullie harten’ heeft toegestaan (19:8). Maar een andere keer, als hij druk in gesprek is en erop gewezen wordt dat zijn moeder en zijn broers buiten op hem staan te wachten, antwoordt hij bits: ‘wie zijn mijn moeder en mijn broers? Dézen hier, mijn leerlingen, die zijn het. Want ieder die de wil van mijn vader in de hemel doet, díe is mijn broer, mijn zus, mijn moeder’ (12:47). Het is ook heel merkwaardig dat we nergens vernemen dat hij getrouwd is, dat hij voor mensen die zichzelf ‘gesneden’, gecastreerd hebben omwille van het komende Rijk zelfs begrip heeft (19:2) en dat hij tegen de Sadduceeën zegt dat er in de opstanding der doden straks zelfs helemaal niet meer ten huwelijk genomen of uitgehuwelijkt wordt, net als bij engelen in de hemel (22:30).

We moeten, denk ik, een niveau dieper kijken dan dat van de ‘standpunten’, voor of tegen het huwelijk. Het evangelie betuigt dat in Jezus als de Gezalfde het koningschap van God op de aarde dichtbij komt. Zo doet hij de verwerkelijking aanbreken van wat het bericht van dat koningschap aan verwachtingen heeft gewekt, óórdeelt hij het bestaande, de wereld die voorbijgaat, maar onderkent hij ook dat er, voor wie leven in die wereld-die-voorbijgaat, terdege ook respect voor de instituties en hun zingeving op te brengen valt. En dat lijkt me ook de geest te zijn geweest van het oude gereformeerde huwelijksformulier: er gaan gerichten over de wereld, het gaat er allemaal niet altijd feestelijk toe – dus houdt elkaar ook als gehuwden vooral goed vast en concentreer je op wat in deze chaos vooruitwijst naar Gods toekomst.

En dit krijgt dan een toespitsing in de aanzegging: ‘Wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard’ (vs. 38). Jezus heeft het zwaard niet opgenomen. Hij heeft wel die hoogst vernederende kruisdood voor zichzelf aanvaard. En daarmee is de wereld-die-voorbijgaat geoordeeld, en is de belichaming van Gods koningschap juist aan dat kruis niet alleen een schrikbeeld, maar minstens zozeer een bemoediging. Het is mogelijk, een rechtvaardige te blijven tot je laatste snik; en ook al lopen er dan mensen van je weg, ook onder je verwanten, je krijgt er anderen voor terug: de ‘kleinen’ die de vervolgde rechtvaardigen te hulp schieten, in hoe kleine daden ook, zoals het simpele aanreiken van ‘een beker koud water’ (vs. 41-42). Ook Caro en Marcel, wat hun voorgeschiedenis ook is, vinden we nu in een dergelijk gezelschap terug, zonder dat dit voor hen per se een breuk hoeft te impliceren.

[IV] Een enkel woord nog over de eerste lezing, die uit het boek van de profeet Jeremia. Heel oecumenisch is die keuze niet, want rooms- noch oudkatholieke lectionaria geven deze tekst voor deze zondag aan. Het lijkt een specialiteit van de Protestantse Kerk in Nederland te zijn. Ik heb wel een vermoeden waar die keuze op slaat.

De koning van Babel heeft al toegeslagen, en de maatschappelijke bovenlaag uit het land Juda en de hoofdstad Jeruzalem gedeporteerd. Toch zijn stad en land nog niet volledig verwoest, en hebben nog enig respijt. De profeet verwacht daar weinig van. Zijn landgenoten die achterbleven hebben tot op het ogenblik dat hij deze brief schrijft zo weinig inzicht in de uitzichtloze situatie betoond dat hij vreest dat ze illusies van vrede blijven koesteren terwijl deze hoogst onwaarschijnlijk is. Méér verwacht hij van de ballingen in Babel. Die zien wel in dat ze het voorlopig tegen deze wereldmacht onmogelijk kunnen opnemen. En dus, schrijft hij aan ze, kunnen jullie je als migranten beter voorlopig in de nieuwe situatie nestelen: huizen bouwen, tuinen aanleggen, je kinderen laten huwen zodat er uit hen ook weer kinderen geboren worden (Jer. 29:5.6), ja zelfs bidden voor dat Babel met z’n vreemde goden, omdat vooralsnog jullie vrede méé gelegen is in de vrede van die stad (vs. 7).

Deze brief werkt als een contrapunt tegenover het evangelie van vandaag. Dáár moesten de apostelen het conflict niet mijden, maar het oordeel van het komende rijk over het bestaande, dat is het kruis, dragen door de breuken die ontstaan als breuken te accepteren. Hier in de profetie heeft het oordeel zich al voltrokken, en gaat het erom de vrede te zoeken in een vreemde stad, om het langs die weg vol te houden en ook een weg van bezinning en omkeer te gaan.

Ik herinner mij dat deze brief van Jeremia een rol speelde in christelijke gemeenschappen achter het zogenaamde ijzeren gordijn (in Midden- en Oost-Europa) in de dagen van de Koude Oorlog. De Sovjet-overwinning op Nazi-Duitsland had feiten geschapen die voorlopig niet ongedaan te maken waren. Naar oorlog streven was in een tijdperk van atoombewapening zelfmoord. Dus het was vooralsnog zaak, een plaats te vinden in deze vreemde en vaak ook vijandige wereld, en haars ondanks de vrede met haar te zoeken. Achteraf weten we dat deze periode getermineerd was, en wel tot een kortere periode dan de symbolische zeventig jaren ballingschap waar Jeremia van spreekt (Jer. 29:10). Het werden eerder veertig jaren. Maar de herinnering aan het profetische woord heeft gedurende die veertig jaren wel geholpen, overeind te blijven toen er geen ánder uitzicht opdoemde.

Ik zou het als volgt kunnen samenvatten: het evangelie helpt, om in situaties van beklemming, bedreiging, breuklijnen ook, trouw te blijven aan je inspiratie en je opdracht, en daarin vasthoudend te zijn; en de profetie helpt, om in dagen waarin het oordeel al áchter je ligt maar de opgaande zon aan de horizon nog niet verschenen is, je toch in te spannen de vrede te zoeken voor jezelf, je naasten en de wereldorde waarin je leeft, maar het uitzicht op een uitweg ooit toch niet uit het oog te verliezen. In beide situaties geldt – voor gehuwden, voor eenzame rechtvaardigen, voor gemeenschappen –: houdt elkaar maar goed vast!

            In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie