27 juli Genesis 18:20-33 en Lucas 11:1-13 Oude Kerk

2

Uitleg en verkondiging in dienst Oude of Sint Nicolaaskerk, Amsterdam, op 27 juli 2025, de 6e zondag van de zomer

Schriftlezingen: Genesis 18:20-33 en Lucas 11:1-13

Gemeente, mét Jezus kinderen van de Vader,

We volgen Jezus al enkele zondagen op zijn weg naar Jeruzalem, de plaats van zijn ‘opneming’ door de dood heen (Luk. 9:51). Vandaag houdt hij pas op de plaats, is in gebed, en vindt daarop een ‘rust’ die de gelegenheid aan de leerlingen geeft hem te vragen ook hen het bidden te leren (11:1). Ik lees dat zo, dat het bidden van Jezus zelf hoogst ónrustig was. En uit wat hij de leerlingen leert te bidden blijkt dat ook wel. [a] ‘Vader, geheiligd worde uw naam’ (v. 2c): daar staat veel op het spel, want bij wie het eigene van deze Ene, de Levende Israëls (Hos. 2:1), niet hoog, heilig houdt, dreigt verslapping, en wanneer hij het wel doet, vervolging. [b] ‘Uw koninkrijk kome’ (v. 2d): hier zien we vast vooruit naar de beschuldiging voor Pilatus, dat Jezus het volk zou misleiden door zich tot ‘koning der Joden’ uit te roepen (23:1.3) en naar het daarmee overeenkomende opschrift dat Pilatus, pesterig tegenover de aanklagers, boven het kruis laat schrijven (23:36v.). [c] ‘Het brood voor morgen geef ons dat dag voor dag’: dat verplaatst ons in de woestijn, waar het manna uit de hemel telkens voor één dag voldoende voedsel gaf (Ex. 16), wat niet bepaald duidt op wat wij ‘bestaanszekerheid’ noemen; [d] ‘scheld schulden kwijt, waar ook omgekeerd schuldenaars vergeven worden’ (v. 4ab): dat roept een atmosfeer op van ‘transactioneel handelen’, zoals een belangrijk politicus dat momenteel roemt, een alom verstrikt-zijn in zakelijke en morele verplichtingen dat voor de leerlingen blijkbaar benauwend werkt en vraagt om een perspectief dat daaraan voorbijgaat; [e] ‘leid ons niet in beproeving’ (v. 4c), en dan wel vooral in de derde van de drie beproevingen door de diabolos, de tweedrachtzaaier, die Jezus uitdaagt om het gevaar van lijden tegemoet te treden met heldhaftig optreden (4:9-12). Het is dus niet te veel gezegd: bidden als Jezus en met Jezus is een gespannen, opwindende aangelegenheid.
Jezus versterkt het besef daarvan nog met een kleine gelijkenis. Iemand heeft een vriend die, onderweg als Jezus zelf, te middernacht aanklopt en om drie broden vraagt. Die heeft de gastheer niet in huis, zodat deze aanklopt bij weer een andere vriend, een buurman. Op zijn beurt reageert deze kribbig: deur al op het nachtslot, kinderen al naar bed, hijzelf ook: waarom zijn rust verstoren? (11:5-8). Jezus ziet het wel goed aflopen: is het niet uit vriendschap dat de buur tenslotte toegeeft, dan omdat hij van het gezeur af wil zijn. ‘Zo’n vriend is God’ dus, kun je een beetje cynisch zeggen (Huub Oosterhuis, slotregel koorlied ‘een vriend’). Verderop, in de gelijkenis van de lastige weduwe die haar recht komt halen bij een onverschillige rechter die het haar almaar weigert, zal Jezus dit nog eens herhalen. Als je tot deze God bidt, dan heeft die God iets weerbarstigs, iets van aanvankelijke onwil. En dat vraagt van jouw kant, als je God aanroept, eveneens een zekere onverzettelijkheid en onbeschaamdheid, zoals ook verschillende andere rabbijnen dan Jezus weten [StrackBillerbeck I,456]. Dóórzetten en áánhouden, ook als de Vader weinig geneigd lijkt aan je tegemoet te komen. Vechten met God. Zo wordt de naam Israël immers uitgelegd in Genesis: ‘Ik laat u niet gaan, tenzij ge me zegent’ (Gen. 32:26).
Dat Jezus ervan overtuigd is dat je hier met enig doorbijten vérder in komt, geven de woorden wel aan die hij aan de gelijkenis toevoegt. ‘Wie vraagt, ontvangt / wie zoekt, die vindt / wie klopt, zal worden opengedaan’ (v. {9}10). Het valt aanvankelijk wel tegen met die goede, permissieve vader, en aan je directe verlangens komt hij zeker niet op voorhand tegemoet, maar bij nader aanhouden blijk je jezelf toch in een ruimte te bevinden waar het zoeken naar Gods goedheid en naar het recht van zijn Rijk niet tevergeefs is. Zelfs een boze vader geeft zijn kind geen slang als dit om een vis vraagt, geen schorpioen als het een ei wenst – waarbij te bedenken valt dat slang en schorpioen in de Joodse keuken onreine dieren zijn (v. 11-12) – dat die je niet!. Kun je daarop vertrouwen? Kan een gedupeerde van het toeslagenschandaal dat? Staat het slot van Kafka in deze wereld niet te zeer in alle onverzettelijkheid en ontoegankelijkheid overeind om te rekenen met de gerechtigheid van de Wet Gods? Jezus kent het bezwaar, maar wil ons toch behoeden voor cynisme. Jullie zijn slecht, stelt hij nuchter vast: jij deugt niet, de instanties deugen niet, maar toch: in heilige onnozelheid geef je je kind die vis, dat ei als het daarom vraagt. Verabsoluteerd vertrouwen is niet verstandig, maar verabsoluteerde capitulatie nog minder. Ga het gevecht maar aan, waag het maar om bij alle weerbarstigheid aan twee kanten verder te komen. Er is ruimte voor het gevecht, en die ruimte heeft een naam: ‘heilige geestkracht uit de hemel’ (v. 13). Wie die geestkracht zoekt, vindt ook, treft een deur aan die van het slot is.

Op dit punt gekomen, kan ik het niet laten aan Ds. J.H. Gunning Jr., die buitenissige negentiende-eeuwer te denken. Nu 150 jaar geleden schreef hij in een jaarboekje voor weldoeners een beschouwing over ‘voorbede’ die voor zijn tijd ongebruikelijk was. Denk niet, zo waarschuwt hij naar de ene kant, dat de voornemens van de almachtige God dermate vastliggen dat het een mens nooit lukt de hemelse Vader daarvan af te brengen. Maar denk evenmin, stelt hij in de andere richting, dat wij mensen zo weinig voorstellen dat onze aandrang er voor diezelfde God nauwelijks toe doet. Nee, houd God niet voor te groot en houd de mens niet voor te klein, zodat je vergeet te zien dat God de wereld regeert door de gebeden van zijn kinderen [Goed van God denken, heruitgave 2010, 31). Sterker nog: gebedsverhoring is de kroon op Gods wereldregering. Bidden wij ‘uw koninkrijk kome’, dat zeggen we ook toe dat we de komst van het rijk kunnen en willen verhaasten, door bij God tussenbeide te komen, door hem te bestoken met onze vragen, door hem lastig te vallen met al wat ons hoog zit bij al die tegenkrachten tegen het koninkrijk. Het komt mij voor, dat dit pleidooi in de lijn ligt van het evangeliegedeelte van vanmorgen. En houden we dit uitzicht goed vast, want we zouden het bij wat nu nog volgt bijna kunnen verliezen!

De opstellers van ons leesrooster hebben, in grote oecumenische overeenstemming, de keuze gemaakt om als eerste lezing vandaag de pleitrede van Abraham voor de rechtvaardigen in Sodom te laten horen. Dit tweegesprek van de aartsvader met Israëls God krijgen we dus als voorbede bij uitstek voorgehouden. Daarop moeten we nu nog nader ingaan, waarbij het voor mij een vraag is of dit wel helemaal klopt.
Nog even de situatie in herinnering geroepen: drie mannen zijn bij de hoogbejaarde Abraham en Sara gekomen om te vertellen van de komende geboorte van hun gezamenlijke zoon (Gen. 18:1-15). Twee mannen gaan heen naar het gewelddadige Sodom (v. 22), waar ze als boden (engelen) zullen verschijnen. Eén blijft achter: JHWH, de Heer zelf. Hij spreekt hardop, en hoorbaar voor Abraham, uit: ‘zou ik voor Abraham verbergen wat ik ga doen?’ (Gen. 18:17). Wat we hem aan het begin van de lezing hoorden zeggen, was dus voor Abrahams oren bestemd. Hij wil weten of de grote schreeuw die hem ter ore is gekomen er inderdaad op duidt dat de mannen van Sodom één en al vernietiging aanrichten (v. 20). Dan meldt Abraham zich en begint een gesprek in maar liefst zes ronden. Zijn vraag, een telkens weer in andere bewoordingen en met knappe retorische variaties herhaalde vraag: ‘zou jij werkelijk de rechtvaardige uitroeien mét de schuldige?’ (v. 23). ‘Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad’ (v. 24), misschien vijf minder (v. 27), misschien veertig (v. 29), misschien dertig (vs. 30), misschien twintig (v. 31), misschien tien – later het getal van een minjan, een geldig aantal deelnemers aan een synagogesamenkomst (v. 32) – en daar houdt Abraham dan halt.
Valt hier inderdaad te zeggen: ‘hier regeert God de wereld door de voorbede van een van zijn kinderen’, ja van Abraham, zijn vriend (Ps. 105, ber.)? Je leest vaak: Abraham is hier in feite met God aan het onderhandelen: het is een handjeklap om het getal rechtvaardigen omwille van wie de stad gered kan worden zo laag mogelijk te krijgen. Toch transactioneel dus. De grote Amerikaanse schrijfster Marillyne Robinson heeft recent een boek over Genesis uitgebracht en zij verzet zich tegen deze voorstelling (Ned.Vert. 2024, p. 107). Onderhandelen zou veronderstellen dat er te spreken valt over een voornemen van God om de rechtvaardigen mét de andere bewoners van de stad te vernietigen. Maar er is niets dat erop wijst, dat God deze logica zou willen volgen. Wel is er in het latere Jodendom de bijzondere overlevering, dat er zich in elke generatie 36 rechtvaardigen bevinden die door hun lijden de mensheid bewaren. De roman van André Schwarz-Bart, De laatste der rechtvaardigen (1959) zal verschillenden onder ons in het geheugen gegrift staan. Dit diepe motief, het instaan-voor-de-anderen, wordt op deze plaats in Genesis wel opgeroepen, lijkt me, maar niet uitgewerkt.
Nog een andere visie op het gesprek met Abraham zullen we straks zelf in de mond nemen. Het gaat om de tekst van Jan Wit, die we als tafellied zullen zingen (Liederen van het begin, nr 36). Als het zingen daarvan goed werkt, brengt het ons in de gesteldheid waarin de gesproken voorbeden, die vanachter de tafel volgen, op voorhand onder een bepaalde belichting en strekking zijn gesteld. Het lied is een dialoog, niet tussen Abraham en de Eeuwige, maar tussen ons, gemeente, en Abraham. De gemeente wijst (in de oneven strofen; vanmorgen aan het woord in de stem van Maria, de cantor) op de slechtheid van Sodom, Abraham (in de even strofen) pleit voor de menselijkheid van degenen die aan dat geweld lijden. En tenslotte zwicht de gemeente en kondigt aan dat Abraham, als hardnekkig pleitbezorger voor de mensen in Sodom, ooit voor dit grote geloof van hem zal worden beloond (strofe 7). Het lied is indrukwekkend, en het is een getuigenis, en wel tastenderwijs, van ons moderne levensgevoel, van de gevolgtrekking na de Sjoa: géén geweld kan zich zo totaal aandienen dat het de opschorting van het elementaire mensenrecht zou rechtvaardigen. Laten we dit vooral zingen en laten we vooral samen voor dit inzicht staan.
Niettemin: ik vrees dat ook deze lezing van het pleidooi van Abraham, een lezing in termen van mensenrechten, niet strookt met de strekking van ons tekstgedeelte. Abraham vraagt niet naar de mensen in de stad, hij vraagt naar de aanwezige rechtvaardigen: als die er zijn, moet de hoogste Rechter recht doen (v. 25). Lager dan tien durft hij niet te gaan, in een zevende ronde, maar de suggestie is toch duidelijk: ‘wat als er nu maar één is?’ Of nog concreter: hoe staat het nu, Heer, met mijn neef Lot, die in Sodom woont? Is hij een rechtvaardige, wanneer hij straks de twee mannen gastvrijheid verleent – ook al biedt hij dan ter compensatie zijn twee dochters ter verkrachting aan? Of zal het antwoord van de Ene eerder doen denken aan Psalm 14: ‘De Ene keek uit de hemelen neer over de zonen van Adam, om te zien of er één was die (..) zoekende was naar God. Maar alles was afgeweken (..), géén die goed deed, niet één meer, zelfs niet één!’ (Ps. 14:2.3 NB, vgl. Rom. 3:10)? Dit is het antwoord dat Abraham vreest en dat hij de Ene niet wil laten uitspreken. Overigens spaart die Ene Lot in het vervolg wel (Gen. 19:16-22), en dat doet Hij dan, zo krijgen wij te horen, omdat Hij ‘dacht aan Abraham’, zijn vriend (Gen. 19:29)! Uiteindelijk was dát het enige effect van Abrahams onvoltooide pleitrede.
Maar wat is er nu de zin van, dat de stad Sodom in Genesis helemaal kapot moet, omdat er hier geen sprake is van enige gerechtigheid, op de gastvrijheid van Lot na? Stellen we het ons voor: de Dode Zee was een kale vlakte, zwavel en zout, brandresten, geen gewas. Er ging een verhaal dat er ooit een Godsoordeel overheen was gegaan. Aan het slot van de Tora, in Deuteronomium 29, waarschuwt Mozes voor de desolate toestand waarin het land terecht zal komen bij de ballingschap, op haar beurt het gevolg van generatieslang verzuim om te Tora te doen. Laat je het doen van gerechtigheid systematisch na, dan komt de catastrofe over je, en de catastrofe bewerkt dit desolate land, dat je hier voor je ziet (Deut. 29:21-27). Dat is de waarschuwing waarop de Tora uitloopt. De vernietiging, het ‘ondersteboven keren’ van Sodom is zo ten voorbeeld gesteld: kijk uit, dáár kom je terecht als je het rechte niet doet… Het huidige Israël kan het zich gezegd laten zijn. Wij, de hele mensheid kunnen het ons gezegd laten zijn. Amen.

About the author

R.H. Reeling Brouwer

Plaats een reactie