Ds. Rinse Reeling Brouwer, Amsterdam
Uitleg en verkondiging in de dienst in de Kruiskerk te Amstelveen op 26 april 2026, 4e zondag van Pasen
Schriftlezingen: Genesis 22:15-19, Aan de Hebreeën 6:9-20
Gemeente van hen die gaan op de weg van Abraham,
[1] Ons leesrooster stelt voor de lezing uit de brief ‘Aan de Hebreeën’ vandaag in te zetten bij vers 13, maar ik heb onze lector verzocht een paar verzen eerder te beginnen. Want in die eerste verzen spreekt de schrijver – of misschien meer nog: prediker – een gemeente aan in een specifieke situatie, namelijk die van een gemeente die zich in een gevarenzone bevindt. Er is sprake van geloofsafval, van afhaken, en ook wie zich dienstbaar inzetten hebben het dringend nodig, dat hun een hart onder de riem gestoken wordt. Het is altijd lastig na te gaan, wat voor de aangesproken gemeente precies de aanvechting is geweest, maar een suggestie die ik onlangs tegenkwam is zo gek nog niet:[1] Aan het eind van de eerste eeuw na de geboorte van Christus was het Jodendom aan het opkrabbelen, na de catastrofe van de wrede joodse opstand die minstens zo wreed door de Romeinen was neergeslagen. Jeruzalem was gevallen, de tempel verwoest, en de overgebleven leidslieden door de linies heen gevlucht om het leerhuis opnieuw te beginnen. Om de joden in het hele imperium wereldwijd toch een maatschappelijke positie te verschaffen voerden de keizers van het Flavische huis toen een belasting-voor-Joden in, maar niet zonder de bekende imperiale ‘verdeel-en-heers’-tactiek, die joodse groepen onderling tegen elkaar opzetten. Groepen als die van hen die Jezus als de Zoon beleden, werden bewust uitgesloten van de belastingplicht en werden daarmee min of meer rechteloos, illegaal. En als je je bij zo’n groep had aangesloten, wilde je daar dan nog wel bij horen? Geloofsafval, een je voegen bij wat wél de erkende groep was, lag dan op de loer. Onze briefschrijver is griezelig streng jegens wie afhaakten (Hebr. 6:3-8), maar in ons gedeelte bezweert hij vooral degenen die nog volhielden, dat te blijven doen: hun dienstbetoon en liefdewerk aan de heiligen voort te zetten, voorbeelden van geloofsvertrouwen en doorzettingsvermogen na te volgen, en een inzet te betonen die overeenstemt met de hoop op het wáár worden van Gods beloften die je met recht kan koesteren, zo waar als deze God rechtvaardig is en zal doen wat Hij gezegd heeft (vs. 9-12).
[2] Zoals gezegd: het is altijd lastig, zo’n suggestie wat de situatie van de geadresseerden zou hebben kunnen zijn zo maar tot uitgangspunt van de uitleg te nemen, en ik pin mezelf er dan ook niet op vast. We kunnen namelijk evenzeer, en tegelijk even tastend, inzetten bij onze eigen geloofstwijfels. Ik denk dan aan het essay dat schrijver Tommy Wieringa een jaar geleden schreef onder de titel ‘Optimisme zonder hoop’. Hoop, zo verdedigt hij, veronderstelt een grond, iets op grond waarvan het gerechtvaardigd is op betere tijden te hopen. Maar die grond is er niet. De klimaatcrisis doet onze wereld alleen maar sneller achteruit hollen, en daarbij komt nog wat in het afgelopen jaren alleen maar erger werd: de ruimte die autoritaire leiders wereldwijd voor zich opeisen, het verlaten van de beginselen van de rechtsstaat en daaronder ook het oorlogsrecht in de internationale verhoudingen, de verscherpte, onaangenaam aangename agressiviteit in het maatschappelijk verkeer, ook en juist tegen dienstverleners, de criminalisering van de illegaliteit – iets waar de christenen van de tweede, derde generatie dus ook mee geconfronteerd waren – en zo maar verder. Wieringa zegt dan: al zie ik geen grond voor hoop, ik zet me wel in voor het goede, zoals voor de aangevallen mensen in Oekraïne, en in dat handelen blijf ik optimistisch, ook al kan ik dan niet geloven dat het goed komt. Dat is een edel, een te respecteren antwoord op de ernst van de situatie. Maar het is niet het antwoord dat we vinden in de tekst die we vanmorgen hebben gehoord. Die tekst horen we daarom wel aan vanuit een besef, diep in ons eigen hart, van de mogelijke grondeloosheid van élk verhaal dat ons hoop voorspiegelt.
[3] De schrijver van de brief aan de Hebreeën spreekt dus wel degelijk van een grond, en bij al onze twijfels hebben we vanmorgen naar zijn stem te horen. Hij begint met een herinnering aan Abraham. U kent het verhaal, het dramatische en misschien van alle bijbelse verhalen wel een van de meest verschrikkelijke, waarin God Abraham beproeft: zoals hij ooit moest wegtrekken uit het Ur der Chaldeeën en zo zijn hele verleden achter zich laten (Gen. 15:7), zo moet hij nu zijn zoon, de zo moeilijk en zo laat ontvangen zoon Isaak, heel zijn toekomst opgeven als iets dat hij tastbaar in handen kan houden. Abraham doorstaat de beproeving, hij heeft zijn zoon, zijn enige, niet aan de Ene, zijn grote Bondgenoot, onthouden (Gen. 22:12.16) en dezelfde hemelse bode die hem tegenhield bij de hand waarin Abraham het slachtmes al vasthield, roept hem nu voor een tweede maal aan, daar op de berg Moriah (‘Hereziena’), en spreekt tot Abraham de belofte uit, dat diens zaad (zijn nageslacht) zich zal vermeerderen en hem, de zijnen en alle volkeren der aarde tot zegen zal zijn (Gen. 22:15-18).
[4] In de aanhef van deze woorden van zijn bode zegt de Ene: ‘Ik zweer bij mijzelf’, en dat is een uitdrukking waar onze briefschrijver annex prediker nu – op typisch rabbijnse wijze – op gaat voortbouwen. Normaal gesproken bij een eed, zo stelt hij, zweer je namelijk bij een instantie die hoger is dan jijzelf (vs. 16). Een kamerlid bijvoorbeeld dat het ambt van volksvertegenwoordiger aanvaardt door het uitspreken van een eed, bevestigt daarmee dat zij dit ambt in trouw aan de grondwet zal beoefenen. Maar dat kan de Ene, de Here God, niet doen (vs. 13). Hij is immers niet onderworpen aan een wet maar hij is, zoals Calvijn dat noemt ‘zichzelf tot wet’. Maar bij zichzelf hééft hij dan toch maar gezworen. En de belofte die hij met die eed bevestigde maakt hij ook waar: hij ‘lost’ immers ‘met doorzettingsvermogen de belofte in’ (vs. 15). Veel vertalingen interpreteren dit [vijftiende] vers anders. Ze betrekken het namelijk op Abraham: díe had de beproeving doorstaan en daarmee zijn belofte aan zijn God ingelost door hem zijn zoon niet te onthouden. Dat is wel zo, en in het voorgaande is het woord ‘doorzettingsvermogen’ ook inderdaad op mensen, namelijk op de geadresseerden van de brief, betrokken. Maar ik vind het toch wat merkwaardig: eerst is de Here God zelf aan het woord in het uitspreken van zijn eed, en waarom zou dan ook het doorzettingsvermogen op deze plaats niet ook op Hém betrekking hebben? Ongetwijfeld, Hij staat bóven de tijd, ‘de tijden zijn in Zijn hand’ (Ps. 31:16 St.Vert.). Maar dat neemt niet weg dat Hij ervoor kan kiezen, en er ook voor hééft gekozen, zich aan de tijden te onderwerpen. Hij wil immers een weg gaan met Abraham en zijn zaad, en een weg wordt altijd bewandeld in de tijd. En zo heeft God dan ook geduld bij het verloop van de tijd waarin Hij zijn belofte waarmaakt, zo heeft hij ‘doorzettingsvermogen’ of, zoals de oude term luidt: ‘lankmoedigheid’ (makrothymia), neemt Hij lange tijd ook in zijn eigen gemoed voor lief voordat de belofte haar eindpunt, haar vervulling bereikt.
[5] De onderstreping van de goddelijke belofte door een goddelijke eed biedt dus , aldus onze briefschrijver, een extra verzekering hoezeer de Ene zijn eigen belofte serieus neemt en dat ook aan Abraham, zijn vriend (Psalm 105) en aan Abrahams zaad wil laten weten. Zo ‘wilde Hij, nog boven de belofte uit, aan de erfgenamen van de belofte het onwrikbare van zijn besluit tonen’, vervolgt onze prediker (vs. 17). Dat besluit, meer bekend als ‘raadsbesluit’, vormde een belangrijk motief in de geloofsbeleving van de gereformeerde voorouders te onzent, al is het in de huidige theologie, als ik het wel heb, wat op de achtergrond geraakt. Het motief is veelzeggend voor de vraag, wat voor God de God van Abraham wil zijn. We kunnen ons, als we daar religieus en wijsgerig gevoelig voor zijn, verbazen over zijn onmetelijkheid, zijn oneindigheid, zijn almacht en zijn alwetendheid, maar dat is niet het specifieke waar het hier om gaat. Want de God van Abraham heeft zich áls de onmetelijke en oneindige Godheid nu juist willen binden aan de menselijke maat en de menselijke eindigheid van zijn vriend, en Hij die macht heeft over het al en kennis van alles wat niet Hijzelf is, heeft zich eraan verbonden een concreet besluit te nemen waarin hij aan Abraham toekomst schenkt voor zijn zonen, de kinderen van de belofte en ruimte schenkt op het land van de belofte. In zijn grootheid verbindt Hij zich aan het verbond, aan het specifieke en het concrete van deze zoon (als zegen voor alle volkeren) en van dit land (als perspectief van land-van-vrede voor alle volkeren). En dat doet Hij niet allereerst door wat Hij als de Oneindige en Almachtige is, maar door wat Hij wil: wat de Ene wil is beslissend voor wie Hij is, en wat Hij wil is vrede, rechtvaardigheid, uitzicht. Die wil nu kennen wij uit zijn besluit, dat Hij de zijnen heeft meegedeeld. De oude Latijnse term voor dat besluit was ‘decreet’, maar die term is bedenkelijk, als we ons alleen maar de huidige president van de Verenigde Staten voor ogen stellen die direct na zijn inauguratie een enorme stapel decreten tekende, waarin hij zijn wil oplegde aan het volk en aan de wereld, buiten alle instituties om. Nee, de strekking van het besluit van de God van Abraham is nu juist, dat Hij deze, zijn vriend, een verzekering wil bieden van zijn vaste voornemen, zijn belofte van vrede en niets dan vrede waar te maken.
[6] Nog een ander beeld roept dit in onze tekst op. God heeft met zijn eed het onwrikbare van zijn belofte geborgd, hoorden we (vs. 17slot). Over die borg sprak ik daarstraks al in het voor de kinderen bedoelde praatje. Juda, zoon van Jakob, beloofde zijn vader dat hij zo nodig borg zou staan voor Benjamin, de kleinste broeder (Gen. 43:9), en toen het erop aankwam bood hij ook aan de regeerder, van wie hij niet wist dat het Josef was, aan om in plaats van die aangeklaagde jongste broeder de gevangenis in te gaan (Gen. 44:32), wat Josef ervan overtuigde dat Juda niet meer de man was die ooit had voorgesteld hém als jongere lastpak te verkopen (Gen 45). Zo beeldde Juda uit, wat het plaatsvervangende handelen is, dat een gekozene van de Here God dient te vertonen. De schrijver van Hebreeën noemt elders Jezus een borg (égguos, Hebr. 7:22). De broeders van Jezus zijn schuldenaar geworden tegenover de God van Abraham omdat ze van hun kant het verbond niet volmaakt hebben geleefd. Jezus treedt dan als derde partij op en verricht voor hen het werk dat zij hebben verzuimd. Hier staat een iets ander woord (emesíteusen) dat soms vertaald wordt als: ‘hij betoonde zich middelaar (van het verbond)’. Die term middelaar, die doet denken aan Mozes die tussen het volk en de Ene op en neer rent de berg op en af, is hier niet erg passend, en beter is dan ook de vertaling ‘hij stelde zich garant’, of ook hier: ‘hij trad als borg op’. ‘O, wees toch een borg voor uw knecht ten goede, laat de brutalen mij niet onderdrukken’, bidt de rechtvaardige in Psalm 119 (vs. 122, vs 44 ber.). Ja, zo’n garantie van zijn eigen toezegging wil de Here God geven en in Jezus, de Zoon, stelt hij zich ook borg. En in díe gedaante vraagt hij ook om de navolging van ons, de zijnen (vgl. vs. 12). Ik denk daarbij aan die dat ‘ongekend onrecht’ van de afschuwelijke toeslagenaffaire. Vele duizenden zijn door ambtelijke blunders en door wantrouwende aannames achter computerprogramma’s ten prooi gevallen aan een overheidsapparaat dat fundamenteel wantrouwend staat tegenover zijn burgers. Stel je toch eens voor, heb ik wel eens gedacht, dat er een christelijke gemeente was die zou zeggen: ‘laat ons maar als derde optreden; als de overheid niet eens in staat is zekerheid te bieden om het gedane onrecht te herstellen, laat óns, althans laten onze vermogende leden, dan garant staan, borg zijn en instaan voor de schulden van de armen, die zijn uitgeperst…’. Het spreukenboek is wantrouwig: ‘mijn zoon, zo ge voor uw naaste borg geworden zijt (…), dan zijt ge verstrikt in de redenen van uw mond’ (Spr. 6:1a.2a). Dat is de mentaliteit van de angstige burger, die al snel vreest dat we door zo’n borgsteller belazerd worden. Anders de gerijpte Juda, anders Jezus, anders de Hebreeënbrief: borgstelling voor een mens met schulden weerspiegelt hier juist het erbarmen van de menslievende God.
[7] Inmiddels ben ik van Jezus gaan spreken. Bij hem eindigt onze epistellezing ook. Gods belofte aan Abraham (1), versterkt door de eed als het onderpand, het borg-staan voor de belofte (2), zijn twee gegevens die ons tezamen, wanneer wij daarin onze toevlucht vinden, een sterke aansporing, aanmoediging, vermaning (paráklèsis, vs. 18) bieden, om ons vast te klampen aan de hoop. En daar komt dus (vs. 18 slot) die hoop weer terug waar de hele redenering vanuit ging, om er een grond voor aan te wijzen (vs. 11). We zien het voor ons aan Jezus, die deze hele brief door verschijnt als de hogepriester. U heeft het vermoedelijk op de achter ons liggende zondagen al vernomen. Het gaat niet om de hogepriester op de wijze van Aäron, die eens in het jaar het heiligste onderdeel binnenging om verzoeningstekenen te verrichten voor de zonden van zichzelf en zijn familie en voor de zonden van het volk (Lev. 16:1.12.17). Jezus is namelijk niet afkomstig uit de stam van Levi, zoals Aäron, maar uit de stam van Juda, de koninklijke stam, de stam van David (Hebr. 7:14). Daarom kon Jezus in zijn aardse leven geen priester zijn. Maar na zijn opstanding en vooral zijn hemelvaart lag dat anders. Toen was hij als de wonderbare figuur van Melchisedek, die Abraham tegemoet was gekomen als uit het niets, want uit Gods toekomst, vanuit Salem, de stad van vrede en een priester naar de orde van deze Melchisedek (vs. 20), hogepriester voor alle eeuwen. Jezus hoefde geen offers te brengen voor de zonde van zichzelf of zijn familie. Hij was geheel en al die ene-voor-anderen, hij belichaamde ‘das Dasein für Andere’, waarvan Bonhoeffer spreekt. En omdat hij zijn levensweg van verzoening voltooit met het ingaan in het hemelse heiligdom, en daar voor ons ten beste spreekt, is hij voor ons de levende hoop en daarmee de levende borg als grond voor onze hoop.
[8] Ik laat nu maar even het bekende beeld terzijde van de hoop als een anker – want, hoe dierbaar mij als zeiler dat beeld ook is, ik krijg een anker waaraan een schip op zee veiligheid vindt en het beeld van de Tent der Ontmoeting met een binnenste afdeling achterin waar de priester voor Gods aangezicht verschijnt moeilijk bij elkaar. Het raakt ook niet aan de vraag waar we vanmorgen mee rondlopen. Ik begon bij Tommy Wieringa, die voor de hoop in deze aangevochten wereld, die alleen maar achteruit rent in alle opzichten, geen grond kon vinden, en die daarom wel van zijn eigen houding wilde spreken – optimisme, ondanks alles – en niet van een dergelijke grond. De briefschrijver ‘Aan de Hebreeën’ kijkt er duidelijk anders naar. Voor hem geldt het onderscheid, waarmee de Bijbel al op de eerste bladzijde opent, tussen de hemel en de aarde. Dat tweetal duidt niet op twee werkelijkheden, die helemaal uit elkaar liggen. Er is wel een onderscheid: ‘de hemel is de hemel van de Heer / de aarde heeft hij aan de mensenkinderen gegeven’ (Ps. 115:16). Je kunt zeggen: de hemel is het verborgen, de aarde het zichtbare aspect van de werkelijkheid; of: de hemel is onze toekomst, de aarde is het heden van een verdwijnende wereldorde – met als perspectief, als hoopvol vooruitzicht, dat de hemel zal neerdalen naar de aarde. Daarin: in de hemelvaart van de Zoon, zijn intreden voor ons in het hemelse heiligdom, zijn aldaar gezeten-zijn ter rechterhand van de Vader, dáárin ligt de grond van onze hoop en daarin vinden wij vreugde, paasvreugde. Laten wij dus niet laks zijn, maar in vertrouwen vasthouden aan dát uitzicht, dat onze voortrekker in de hemelse liturgie voor ons heeft geopend, en laten we in dat vertrouwen handelen. Amen.
[1] Marius Heemstra, ‘Hebreeën en de fiscus Judaicus’, In de Waagschaal 55/4, 11-15