Ds. Rinse Reeling Brouwer
Overweging in de dienst in de Nassaukerk op 24 mei 2026, Pinksteren
Schriftlezing: Aan de Hebreeën 12:18-29
Lieve gemeente van eerstelingen, voortrekkers,
[1] De Heilige Geest, zoals die in onze tekst van vanmorgen aan het werk is, is niet zoet maar zuur, niet fluisterend maar luidruchtig, niet geruststellend maar onstuimig. We spreken [als thema van deze dienst] van ‘hoopvol verzet’, en dat sluit in dat het verzet om ruggengraat vraagt, om woede en moed, en dat de hoop zich alleen als een kleine strook licht in grote donkerte toont, met de humor als een grimlach, een ogenblik ontspanning in een grimmige concentratie.
[2] De Hebreeën zijn uit het slavenhuis Egypte bevrijd. Ze weten na zoveel eeuwen slavernij niet meer hoe vrijheid smaakt, na eeuwen verdeel-en-heers niet hoe een gemeenschap van vrije mensen te vormen. Ze komen bij de berg, Horeb of Sinaï, en daar zijn ze geconfronteerd met hun Bevrijder, die hun signalen geeft van de nieuwe werkelijkheid die nu aanbreekt. Maar die confrontatie doet hen vooral schrikken. Er is een laaiend vuur, in rook, duisternis en stormwind (Ex. 19:18; Hebr. 12:18), en dat doet hen terugdeinzen. Er klinkt geluid, van een ‘ramshoorn’, een sjofar zo staat in de Hebreeuwse tekst (Ex. 19:19), zoals die ook klinkt bij de val van Jericho en bij de geregelde vrijlating van schuldslaven (Joz. 6:5; Lev. 25:9), maar ze hebben liever niet dat ze de woorden ter bevrijding van de Ene horen, want die kunnen ze niet aan, die werken op hen als een verbod dat huiver wekt: geen dier dat de berg aanraakt mag dat overleven (Ex. 19:13; Hebr. 12:19-20). Mozes kan maar beter alléén de berg opgaan, namens hen, zonder hen. Hij krijgt er van de Ene te horen, dat het volk daar aan de voet van de berg ‘een koninkrijk van priesters voor Hem zal zijn, een heilig volk’ (Ex. 19:6), maar kennelijk kan het volk-in-wording die grote toezegging nog niet aan. We weten het: terwijl Mozes boven aan de berg blijft, kunnen ze niet wachten, willen ze hun vrijheid vieren en aanbidden ze hun eigen potentie in het gouden stierkalf dat ze laten maken, wat het symbool is van een autoritair koningschap zoals de Ene en Mozes dat nu juist niet willen invoeren. In reactie op dat schouwspel dat Mozes moest aanzien toen hij de berg afdaalde, zo bericht hij zelf aan het eind van zijn leven, ‘was ik in vrees en beven, doodsbang voor de razende woede waarin de Ene tegen jullie was ontstoken’ (vs. 21). Uiteindelijk heeft Mozes die goddelijke woede weten te stillen, maar zoveel was duidelijk: de Hebreeën durfden nog niet het volk te zijn dat het was aangezegd te zullen zijn; er bleef afstand, ja zelfs afwending (Hebr. 12:25).
[3] Maar daarbij is het niet gebleven, zo prent de briefschrijver-of-prediker zijn gehoor in. De berg Sinaï passeerden de Hebreeën bij een etappe op hun tocht vanuit het slavenhuis náár de het land van vrijheid dat hun bestemming was en is. Ze zijn op weg naar die andere berg, de berg Sion. Slechts een onaanzienlijk bergje, waarop de grootmachten der aarde neerzien – zo zongen we met onze Psalm (Ps. 68:5 ber.), en toch de gróte berg van het visioen, waar de volkeren zullen komen en hun zwaarden tot ploegmessen zullen omsmeden (Jes. 2:4; Lied 447). Al boven op de berg Sinaï heeft de Ene aan Mozes het ‘model’ getoond van de tent, waarin Hij bij zijn volk wil wonen – de briefschrijver/prediker komt er geregeld op terug (Ex. 25:40, Hebr. 8:5). In de woestijn liet Mozes ook een tent maken naar dit model, en later kwam er een woning, een tempel op de berg Sion. Let wel: die was niet bedoeld als religieus centrum van de natie, maar als oefenplaats voor een leven waarin déze God bij zijn mensen woont. En nu, zo zegt de schrijver/prediker tot de Hebreeën van zijn dagen – en daarmee over de eeuwen heen ook tot ons hier–: nu zijn jullie getuige geweest van een uniek gebeuren. In de hemel – dat is: in dát gedeelte van de geschapen werkelijkheid dat voor ons oog nog verborgen is, waar zich ál iets gerealiseerd heeft van een toekomst die, gelijk in de hemel alzo ook op deze aarde, zal neerdalen –, in de hemel dus bevindt zich niet alleen een model van een woning van de Ene bij zijn volk, maar daar is die woning al realiteit, daar wordt de Ene in het verborgene al gediend, dat is al een begin, een beginsel, een eersteling van dat ‘koninkrijk van priesters’ waarvan Hij tot Mozes heeft gesproken. Want jullie weten: Jezus, de Gezalfde koninklijke priester of priesterlijke koning, is ‘de hemelen doorgegaan’ (Hebr. 4:14); hij is, na zijn gewelddadige dood en zijn opstanding, in dat hemelse heiligdom gearriveerd om daar, voor zijn volk uit, zijn priesterlijke dienst te verrichten. En doordat hij daar aangekomen is, zijn jullie eveneens ‘nader gekomen tot de berg Sion, de stad van de levende God, het Jeruzalem dat in de hemel is’ (vs. 22ab). Dat is een enorm gebeuren, want dat verborgen Sion is niet minder indrukwekkend dan de berg Sinaï uit de Mozes-verhalen – anders dan de stad Jeruzalem-op-de-landkaart waar Jezus vernederd en verhoogd is, want die stad was in de eeuw van de schrijver/prediker en zijn gehoor ten prooi aan overstelpend geweld van burgeroorlog, bezetting en vernietiging.
[4] We hebben een hele opsomming gehoord, wat er met dat hemelse Sion allemaal gegeven is (vs. 22c-24b): tienduizenden godsboden voor de troon van de Ene, die van daaruit op de aarde hun boodschappen zullen zenden / een feestelijke samenkomst / een ‘gemeente van eerstelingen’ – prachtige term: allerlei voorlopers met elkaar, die alvast als eerstelingen samenkomen terwijl er nog velen zullen volgen; een passend beeld voor het Pinksteren dat ook een oogstfeest is / God als ‘rechter van allen’, zodat geen onrecht in dit bestaan ongezien en ongestraft zal blijven / de ‘geesten van de rechtvaardigen’, vaak bespot, maar nu tot hun eer gekomen [vandaag denken we aan Marjan Minnesma] / en dan tenslotte Jezus, die hier heet ‘de borg van het vernieuwde verbond’. Vaak wordt dit woord als ‘middelaar’ vertaald, maar die term zegt me niet zoveel: het doet me te veel denken aan een makelaar, die tussen de vragende en de verkopende partij een deal probeert te bereiken, en dat beeld past niet bij Jezus. ‘Borg’, een andere betekenis van het woord, is voor mij veel duidelijker. Ben je onder een berg schulden bedolven, waar je niet meer vanaf kunt komen? Ik sta als borg voor je in. Ben je een toeslagenouder, die van de ene ellende in de andere terechtkomt? Ik los al die absurde rekeningen vast voor je af, dan zien we verder nog wel. Het grote Bijbelse voorbeeld hiervoor is Juda, zoon van Jakob, die had voorgesteld die lastige Jozef te verkopen (al had hij dat niet gemeend) en die later, door diezelfde, door hem niet herkende broer Jozef werd uitgedaagd door de gevangenneming van Benjamin, het jonkie. Juda maakte toen zijn belofte aan zijn vader wáár, zich borg te stellen: ‘neem mij maar, zet mij maar gevangen, maar hém, die kleine, niet’ (Gen. 44:33). ‘Neem mij maar!’, met die drie woorden is de hele Jezus, zoals hij ons in het Evangelie verschijnt, getypeerd. ‘Neem mij maar; ik sta borg voor je’; dat zegt álles. Maar tegelijk moeten we nu ook weer niet, met een bepaald type orthodox of evangelisch christendom, alles alléén op Jezus werpen, onze grote vriend, ‘die op onze plaats ging staan’. Het is wel zo, maar het is ook weer niet het enige wat er te zeggen valt. Want Jezus is bij uitstek de ‘eersteling’: hij ging vóór, en het loopt erop uit dat velen hem volgen. Hij is niet zonder ‘de gemeente van eerstelingen’. Hij heeft het heiligdom in het hemelse Jeruzalem wel geopend, om daar als priester-voor-God-en- mensen dienst te doen, maar die opening forceerde hij nu juist voor dat hele volk, dat ‘koninkrijk van priesters’, dat aan Mozes was beloofd. Een hele gemeenschap staat borg van aldoor-weer-benadeelde toeslagenouders; een hele gemeenschap vormt een wal rond de asielzoekers van wie hun woonplek met fakkels in brand wordt gestoken; een hele gemeenschap voorkómt dat post covidpatiënten hun verdere leven in isolement en armoede moeten doorbrengen. Ik hoef daar jullie hier in de Nassaukerk niet aan te herinneren, maar misschien helpt de herinnering aan Jezus-de-eersteling als borg jullie wel, je nog eens te binnen te brengen waar het je al die jaren nu eigenlijk om begonnen was – en is. Abel, de zwakke broeder, werd vermoord en ‘de stem van zijn bloed schreeuwt tot de Ene vanuit de akker’ (Gen. 4:10). Jezus, de borg van alle zwakken, werd vermoord, maar zie: juist áls de vermoorde kon hij het bloed van zichzelf als vermoorde ‘besprenkelen’ op de verbondskist in het hemelse heilige-der-heiligen (Ex. 26:33; Hebr. 9:3), en daarmee het bloed van al die Abels, al die vermoorden en vernederden, voor het aangezicht van de Ene brengen, voor óns als koninkrijk van priesters en als gemeente der eerstelingen uit, want wij allen délen in die priesterlijke dienst waarin hij ons is voorgegaan, Jezus onze Heer.
[5] U voelt dus wel wat de briefschrijver/prediker meldt aan het Hebreeuws trekkersvolk – en dus ook aan ons: laten we die uitdrukking maar gebruiken, zonder haar van de Joden te willen naasten –: het staan aan de Sinaï was een overweldigende ervaring, bijna te véél gevraagd, en die andere berg, het Sion van Gods dromen, is niet minder, maar alleen maar nog méér overweldigend dan de Sinaï al was. Dat krijgen we dan ook ingeprent: toen er een stem klonk vanaf de Sinaï, hebben de mensen aan de voet van de berg dat feitelijk afgewezen, zoals Mozes dat ervoer toen hij zag dat ze dat stierkalf hadden gemaakt, maar ze ontkwamen toch niet aan de confrontatie met het heilige, verterende vuur (Deut. 9:3; Hebr. 12:29). Nu dan, wat we na en met de hemelvaart Jezus hebben ervaren is niet minder, maar nog méér ingrijpend dan de confrontatie op de Sinaï al was. Elia voer op een strijdros ten hemel (2 Kon. 2:11). Bij Jezus was het nauwelijks minder schokkend: bij het opgaan van Mozes naar de Sinaï was er al een aardbeving (Ex 19:18), nu, bij binnenkomst van Jezus in het hemelse Jeruzalem, is er niet alleen een beving van de aarde, maar zelfs van de hemel (zoals de profeet Haggaï al had gezegd toen hij na de ballingschap uitzag naar een nieuw heiligdom; Hagg. 2:6 LXX; Hebr. 12:26). De hele oude orde, de bestaande wereld, die alleen maar geweld vermenigvuldigt en waar mensen wonderlijk genoeg toch aan lijken te kunnen wennen, gaat nu ten einde. Op de Pinksterdag vieren we de bevestiging van dat nieuwe, dat met de hemelvaart van Jezus is geschied. Kleijs Kroon haalde in dit verband Henriëtte Roland Holst aan: ‘de wereld keerde langzaam ondersteboven / en kwam op hare voeten recht te staan’.[1] Bij de Sinaï is het begonnen, daar klonk de ramshoorn, het woord van de bevrijding. Maar nu verder: nú de grote transformatie (vs. 27), de verandering van een wankel bestaan in de gestadige, Gode welgevallige priesterdienst, en van een onzeker, een weinig moedig, een weinig woedend volk in een koninkrijk van priesters die ‘hun dienst verrichten met ontzag en eerbied’ voor het aangezicht van de Ene (vs. 28). Aan de voet van de Sinaï waren de Hebreeën volgens onze prediker nog niet zover, dat ze zich de woorden-die-klonken konden eigen maken. Onder de indruk van de nog ingrijpender ommekeer, die is ingetreden met het ‘de hemelen doorgaan’ van die voorste, die eersteling, kunnen wij – Hebreeuwse mensen, volk van voortrekkers – toch niet doorgaan, ons af te wenden van die klaarblijkelijk ingetreden nieuwe tijd (vs. 25)? Ook aan hoop en aan humor ontbreekt het ons dan niet. [6] ‘Dat vuur van het begin / wij ademen het in / Gods woord dat antwoord vraagt.’ ‘De stok die ons regeert / de dood zal zijn gekeerd / wij zullen mensen zijn’. ‘Hij maakt zijn woorden waar / wij spreken met elkaar / een taal van hoop en… vrede’ (lied 689, uit de strofen 1 en 3). Laten we dat zingen.
[1] K.H. Kroon, Messiaanse volharding. Preken over Hebreeën 11 en 12, 1996, 109. Henriëtte Roland Holst-Van der Schaik, De vrouw in het woud (1912), p. 15. Zij schrijft ‘zijne’, niet ‘hare’.30