12 juli Mattheüs 13 Zonnemaire

1

Ds. Rinse Reeling Brouwer, Amsterdam

Verkondiging in de dienst van zondag 12 juli 2026, de 4e van de zomer, te Zonnemaire

Schriftlezingen: Mattheüs 13:1-9.10-17.18-23

Gemeente, hoorders van het Woord uit het verborgene, u aan wie de geheimenissen bekend worden gemaakt,

De uitspraken van Jezus zijn in het evangelie naar Mattheüs gebundeld in vijf grotere toespraken, vermoedelijk met een knipoog naar de vijf boeken van Mozes: Jezus geldt immers als een nieuwe opvolger van Mozes, een nieuwe Jozua (Josjoeah). Die vijf toespraken zijn de Bergrede (Mat. 5-7), de Uitzendingsrede van de apostelen (Mat. 10), de Gelijkenissenrede (Mat. 13), de rede over de verhoudingen in de Gemeente (Mat. 18) en de rede over de Voleinding der tijden (Mat. 24-25) – waarbij telkens dezelfde regel aansluit: ‘het geschiedde, toen Jezus deze woorden (hier: deze gelijkenissen) beëindigd had, dat hij vandaar wegging’ (13:53 etc.). De gelijkenissen, die dus vandaag aan de orde zijn, zijn van groot belang, omdat zij de gedaante vormen waarin Jezus zich aan mensen kenbaar maakt: niet direct, als de Schepper zelf die spreekt, maar indirect, langs de weg van tékenen, signalen, sporen die hij in het geschapene achterlaat. En de gelijkenis waarmee hij de gelijkenissenrede hier opent, is wel de gelijkenis over de gelijkenissen, de vorm van de vorm, de onthulling van de wijze waarop het verhulde aan de dag treedt. Hier moeten onze oren zich dus spitsen (vs. 9.18).

Deze gelijkenis-van-alle-gelijkenissen is die van de zaaier (Mat. 13:18).  Die is zo belangrijk, dat Jezus haar niet alleen vertélt (vs. 3-9), maar ook nog zelf uitlegt (vs. 19-23) – wat het er niet per se gemakkelijker op maakt. Daartussen vernemen we hoe de leerlingen, die erbij zijn wanneer Jezus de gelijkenis tot ‘een grote menigte’ aan de oever van het meer vanuit een boot vertelt (vs. 1-3), vragen waarom hij het zich niet gemakkelijker maakt, dus waarom hij die vaak zo lastige vorm van de gelijkenis kiest (vs. 10). We zullen die drie onderdelen van onze tekst: vertelling – vraag – uitleg nu achtereenvolgens bespreken.

A. Met de gelijkenis (parabolè) van de zaaier is het trouwens meteen al wel een apart geval. Meestal neemt Jezus een moment uit het leven – een schat in de akker, een klagende weduwe bij de rechter, een sjoemelend boekhouder, een slecht ontworpen toren – tot aanleiding om iets over het koningschap van God te zeggen. Maar hier heeft élk onderdeel van het verhaal op zichzelf al een betekenis binnen het geheel; de antieke literaire wetenschap sprak dan liever van een ‘allegorie’: elk onderdeel ‘staat (overdrachtelijk) voor’ iets anders, ofwel het éne beeld wordt breed uitgesponnen in alle aspecten.

Nu is het beeld van het ‘zaad’ – dat in deze eerste gelijkenis voorkomt en nog in een paar andere verderop in het hoofdstuk ook – geen uitvinding van de evangelist, maar diep verworteld in het Oude Testament. Ik wijs daarvoor op twee plaatsen:

 In de eerste plaats op de tweede helft van het boek Jesaja, hoofdstuk 55, waar we de volgende vergelijking tegenkomen: ‘zoals neerdaalt de regen en de sneeuw uit de hemel / en daarheen niet terugkeert / dán nadat hij de aarde heeft gelaafd / haar heeft doen baren en laten uitspruiten / en zaad heeft gegeven aan de zaaier / en brood aan de eter / zó zal mijn woord zijn, dat wegtrekt uit mijn mond: / het keert niet ledig en vruchteloos tot mij terug / dán nadat het gedaan heeft wat mij behaagt / en heeft doen gelukken waarvoor ik het uitzond’ (Jes. 55:10.11, Naardense Bijbel/Buber). We vernemen hier van een grote beweging van de hemel naar de aarde: er valt regen neer, die bevochtigt de grond, die doet het zaad ontkiemen, en dát zorgt bij mensen voor brood. Dat brood noemt Jezus bij Mattheüs hier nog niet, maar het is wel van groot belang, want in de volgende hoofdstukken gaat het steeds om broodwonderen in Galilea, brood dat gedeeld wordt, spijziging van de armen, van de kinderen Israëls en van de volkeren (Mat. 14:15-16:20). En een ander verband is van minstens zo groot belang: het zaad dient ter vergelijking met het Woord van God. Dat is het dat neerdaalt uit de hemelen, uit het verborgene, ingaat diep in de aarde, en vrucht voortbrengt, namelijk mensen die het woord doén. ‘Een man (mens) die onheil bewerkt moet daarom terugkeren tot God’, zegt de profeet hierbij, want die heilzame beweging van de hemel naar de aarde en terug, de beweging van de bewogen en zich-ontfermende God is niet tegen te houden, dus: bekeer je en voeg je in die beweging (Jes. 55:7).

In de tweede plaats klinkt vanuit het Oude Testament het verhaal mee van Isaak uit het boek Genesis. U weet: Abraham en Sara hadden diep en lang naar een kind verlangd, maar het kwam alsmaar niet. Toch schonk God hun ‘nageslacht’ – de aloude Statenvertaling vertaalde dat nog letterlijk uit het Hebreeuws: záád, als de aanduiding voor de kinderen in wie het verhaal van de ouders voortgaat. Het is een wat exclusief manlijk beeld, maar ja, de heilige schrijvers wisten inzake seksualiteit niet beter en we hebben hen trouwens zojuist ook in het boek Jesaja van een barende aarde horen spreken. Welnu, bij Isaak vindt een woordspel plaats: hij is zelf het zaad van de aartsvader en aartsmoeder, maar hij zaait op zijn beurt ook; niet vergeefs trekt hij de voren door het land, en zijn oogst is, nota bene in een jaar van hongersnood, zo groot dat de Filistijnen er jaloers van worden en hem proberen te verdrijven van het land. Hij wijkt ook wel uit, maar ondertussen, zo staat er, ‘zaaide Isaak in dat land / en oogstte in dat jaar honderdvoudig. / De Here zegende hem. / De man werd groot / gaandeweg werd hij groter / totdat hij zéér groot geworden was’ (Gen 26:12.13, vert. Societas Hebraica). Die honderdvoudige vrucht keert terug in de gelijkenis van Jezus en in de uitleg ervan (Mat. 13:8.23). En Jezus zelf heeft ook trekken van Isaak, hij is immers de enige zoon, de geliefde (Gen. 22:2; Mat. 3:17etc.), neergedaald in het duister als zaad in de akker maar rijke vrucht oogstend in de zijnen, verborgen voor wijzen en verstandigen maar zich onthullend aan eenvoudigen (Mat. 11:25).

B. En daarmee raken we aan het tussendeel tussen de gelijkenis en haar uitleg: de vraag van de leerlingen naar het waarom van Jezus’ spreken in gelijkenissen. Het is fascinerend hoe Jezus die vraag beantwoordt. Hij zegt: het hangt van je positie af, óf je de betekenis van de gelijkenis verstaat. Die positie betreft niet de kwestie van hoog- of laagopgeleid. Of je de geheimenissen van het koningschap van God al dan niet verstaat, hangt van heel iets anders af. Je moet een intuïtie hebben waar het over gaat. Ik sprak van een vrouw die haar recht komt halen bij een onwillige rechter (Luk. 18:2vv.): ik denk dat voor Jezus een gedupeerde van pakweg de aardbevingen door de Groningse gaswinning veel beter begrijpt wat er gebeurt als er altijd maar geen instantie is die je écht begrijpt dan iemand die met slimme Zuidas-advocaten zijn zaakjes wel op het droge heeft. Of dat de sympathie voor een boekhouder die ervan beschuldigd wordt dat ie de arme huurders van een corporatie te veel schuld heeft kwijtgescholden, sjoemelend in de administratie, groter is bij een van-schuldhulpverlening-afhankelijk mens die moet leven bij genadebrood (Luk. 16:1vv.). Zo is de kennis van de economische logica van de God die-een-en-al ontferming-is een andere voor wie vanuit de hemel met wonderbare gaven is overladen dan voor wie naar de normen van onze tijd tot de veelgeprezen ‘zelfredzaamheid’ in staat is. ‘Want wie [inzicht] heeft, die wordt gegeven en wel in overvloed; maar aan wie niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft’ (vs. 12): zo tegendraads gaat het toe waar deze God, de vader van Jezus Christus, zijn heel eigen economie van de ontferming laat doorbreken vanuit de hemel op de aarde.

Het kan een beetje afstoten dat het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen zich hier afspeelt in een taalspel van ‘wij’ en ‘zij’: wij, de verkorenen die de gelijkenis verstaan, zij daarbuiten de menigte die niet verstaat. Daarmee, kun je denken, wordt het tafereel aan de oever van het meer tot een toneelspel, waarbij de rollen vastliggen: de grote menigte hoort Jezus dan wel spreken, maar zal toch niet begrijpen wat hij zegt. Ondanks het ‘hij sprak tot hen (de menigten) in gelijkenissen’ (vs.10) denk ik dat we het toch niet zó moeten opvatten. De grens tussen leerling en menigte, tussen binnen en buiten, tussen kerk en wereld laat zich niet zo eenvoudig trekken. Het gaat toch immers juist om de verborgenheden, de geheimenissen van Gods koningschap, om het onaanzienlijke zaad dat verloren gaat in het duister van de akker en waarvan je pas hoogstens achteraf kunt zeggen dat en hoe het verschil heeft gemaakt!

En dan maakt Jezus het nog erger door opnieuw naar de profeet Jesaja te wijzen. Nu gaat het om het grootse visioen van de roeping van de profeet. (Jes. 6:1vv.). Deze bevindt zich in de voorhal van de tempel en ziet tot diep in het allerheiligste, waar de verbondsark staat waarop de Heer, de God van Israël troont. Zijn onreine lippen worden gereinigd met gloeiende kool van het altaar, hij hoort de goddelijke Stem die vraagt, wie Hij zal zenden, en de profeet antwoordt: ‘Here, zend mij’. Dan volgen deze bevreemdende woorden: Jesaja moet tot het volk zeggen dat het zal horen maar niet verstaan met het hart, en de ogen zal openen maar niet zien wat er te zien is, opdat het volk maar niet ómkeert zoals de man die onheil bewerkt uit die andere Jesaja-tekst waarvan ik sprak (Mat. 13:14b-15-Jes. 6:9-10). Wat is dat voor vreemd gebeuren? Welk bedrijf zal ooit een reclamebureau, welke politicus zal ooit een communicatieadviseur in dienst nemen die een advies geeft waardoor de boodschap juist zeker niet overkomt? De grote joodse wijze Martin Buber, in zijn geschrift over het geloof van de profeten, zegt er dit van:[1] we weten allemaal dat Jesaja prachtige beelden spreekt van heil. Ons hele christelijke kerstfeest leeft er trouwens van: de koningsdochter zal een kind baren en het de naam ‘God met ons’ geven (Jes. 7), het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien (Jes. 9), er zal een twijgje opgroeien uit de stronk van Isaï en dan breekt het rijk van vrede aan (Jes. 11). Het is zó mooi allemaal dat het volk erdoor in slaap wordt gesust. Maar ondertussen is de boodschap van Jesaja allerminst eenvoudig: grote wereldrijken staan klaar om Jeruzalem aan te vallen, en de neiging in Juda is groot om aan die grootmachtpolitiek te gaan meedoen. Dat zal je nooit lukken, zegt Jesaja, doet het niet: wees stil, vertrouw op de Here en streef zíjn vrede na. Maar precies dát pakken koning en volk niet op: ze vatten Jesaja’s fraaie beloften op als stimulans om vooral hun oorlogspolitiek voort te zetten, met dramatische gevolgen. Blijkbaar vreest Jezus een soortgelijk effect bij zijn eigen woorden: grootse, ja ongehoorde (vs. 17) beloften spreekt hij, van het goddelijk Woord dat als een zaadje begint, verstaan wordt en vrucht draagt. Maar de verborgenheid van het zaad in de aardegrond maakt het niet zo eenduidig en voor ieder zichtbaar, waarom eenieder die dit woord hoort en verstaat ook werkelijk zalig is (vs. 16). En toch, al weet je niet wie het zijn, er zijn er wel: mensen van wie de oren open staan, die met hun ogen inzicht en uitzicht ontvangen, die verstaan. Dit is geschreven, opdat wij bidden dat wij zulke mensen, mensen met zulk een inzicht zullen zijn.

C. En dan, in de uitleg van Jezus, volgen nog nadere typeringen van de mensen die dat kennelijk niet zijn. We moeten hier vermoedelijk denken aan de situatie in en rond de gemeente die aan rabbi Mattheüs was toevertrouwd, waar allerlei mensen afhaken om verschillende redenen, maar in de kern toch allen omdat het hen kennelijk niet gegeven is blijvend te verstaan.

‘Bij eenieder die het Woord over het koningschap hoort en het niet verstaat is het, alsof de Boze komt en weg-rooft wat in het hart is gezaaid; deze is het [deel], dat op de weg is gezaaid’ (vs. 19). Met die Boze had Jezus zelf ook te maken gehad, toen hij vastte in de woestijn: ‘als je Gods zoon bent, kun je toch wel van deze verdwaalde stenen hier broden maken?’ (Mat. 4:3b). Nee dus, want brood is geen effect van wat een stuntman doet, maar de vrucht van de weg die het zaad gaat in de akker! En wie dat niet verstaat, weet niet wat het Woord is, als brood voor de armen, en haakt af.

‘Wat op rotsgrond werd gezaaid, deze is het die het Woord opneemt en het met vreugde aanneemt, doch hij laat het niet in zich wortelschieten, maar is een opportunist: wanneer de verdrukking of vervolging komt vanwege het Woord, struikelt hij meteen (vs. 20-21). Een opportunist is iemand die zich aanpast aan de tijd (de tempus opportunum, in het Latijn [hier in het Grieks: pros kairós].[2] ‘Ja, die Jezus-beweging. Inspirerend hoor, ik heb er vroeger graag aan meegedaan. Maar ja, de tijden zijn veranderd. Dat kán toch eigenlijk niet meer’ – zeggen ze. Zulke windhanen zijn van alle tijden, en er zijn er genoeg. Maar je bouwt er geen gemeente mee.

‘Wat tussen de distels is gezaaid, die hoort wel het Woord, maar de zorgen van het tijdperk en de verzoekingen van de rijkdom verstikken het Woord, zodat het zonder vrucht blijft’ (vs. 22). Ik bezocht ooit een Amsterdamse arbeider in de gemeente, die zei: ‘kerkverlating? Ach, het is niet dat mensen het geloof inhoudelijk niet meer kunnen volgen, het is gewoon dat bijna iedereen de Mammon is gaan aanbidden. We zijn te rijk geworden en nu zijn we te bang dat allemaal weer te verliezen.’ Maar, zoals we zongen: ‘er is geen verwachting van leven / tenzij in de dood van het zaad’ (W. Barnard, Lied 764:5). En dát zijn velen vergeten, tot schade van hun ziel.

‘Maar wat in de goede aarde gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort en het verstaat en dan vrucht draagt en het doet: de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig en weer een ander dertigvoudig’ (vs. 23). De evangelist Markus had het omgekeerd, die ging van dertig naar zestig naar honderd, als climax (Mar. 4:8). De evangelist Lukas laat alleen het honderdvoudige over: ieder mens een Isaak, een Jezus (Luk. 8:8): dan leg je de lat wel heel hoog. Mattheüs, die na Markus schrijft, houdt diens driedeling aan, maar keert de volgorde om: honderdvoudige vrucht is ideaal, maar zestigvoudig mag ook, ja zelfs met dertigvoudig valt te leven. Zo is er veel oordeel door ons hart gegaan, vanmorgen, maar tenslotte is het evangelie van deze dag toch mild: het mag een beetje minder zijn, als we het maar goed verstaan. In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.


[1] Martin Buber, Werke II. Schriften zur Bibel, 374vv.

[2] Ton Veerkamp, Alle Worte und Taten des Messias, Texte und Kontexte 157-159, 72.

About the author

R.H. Reeling Brouwer