Ds. Rinse Reeling Brouwer, Amsterdam
Overdenking in de dienst van de Protestantse Kerk Oostzaan op zondag 12 april 2026, 2e zondag van Pasen
Lezingen: Deuteronomium 12:8-12 en brief aan de Hebreeën 4:1-14
Gemeente, volk van trekkers, hier bijeen rond het lévende Woord,
[1] De brief, of liever: de uitvoerige preek ‘Aan de Hebreeën’, afkomstig van een niet bij naam bekende prediker, geeft een uitvoerige beschouwing over Jezus, de zoon van God (Heb. 4:14), in het licht van de in de boeken van Mozes beschreven offerdienst door de hogepriester in de tempel, als de vervuller van die offerdienst die deze met zijn vervulling ook te boven gaat. Vaak wordt bij de weg van Jezus, die zichzelf als offer aanbiedt, vooral gedacht aan zijn weg naar het kruis. De traditie spreekt dan van zijn ‘priesterlijk ambt’. Alleen, zo merkt de briefschrijver elders op, Jezus was de aangenomen zoon van Jozef, die uit de stam Juda stamde; en priesters kunnen alleen van de stam Levi afkomstig zijn, zoals Aäron dat was (Heb. 7:14). In dít aardse bestaan kon Jezus dus geen priester zijn, maar pas aan de doodsgrens voorbij, in een priesterschap van ándere orde. Daarom wordt in deze brief het priesterlijke werk van Jezus pas zichtbaar en effectief wanneer hij, zoals het aan het slot van het door ons gelezen gedeelte heet, ‘de hemelsferen is doorgegaan’ (vs. 14), dat is dus: ná zijn opstanding uit de doden (Heb. 5:7, 13:20) en in het verlengde daarvan zijn opneming in de hemel. Daar, en van daaruit, oefent hij, de altijd Levende, als ‘de grote overste over het heiligdom’ zijn priesterschap uit. Hij biedt zijn offerande aan in het hemelse oerbeeld van de woning van God, hij doet voorspraak voor het aangezicht van de Vader, hij verwerkelijkt daar wat in de dienst aan God op aarde wel bedoeld, maar alleen maar zeer ten dele werkelijkheid is. En dat is nu de reden waarom – zoals ik in de inleiding tot de lezingen al aankondigde – het zo passend is om deze brief in de samenkomsten van de gemeente te lezen op de zondagen van Pasen tot Pinksteren: wij kunnen nu vieren en overwegen hoe de verhoging van hem, de Zoon, het hele aardse leven van ons als paasmensen kleurt en krachtig maakt.
[2] De prediker spreekt ons, zijn hoorders, aan als Hebreeën. In het Hebreeuws is dat woord afgeleid van het werkwoord ‘abar, ‘overtrekken’, zoals bij het overtrekken van de Jordaan (Deut. 12:10). De gemeente vormt een trekkersvolk, steeds onderweg, zonder vaste verblijfplaats, levend in voorlopigheid. In de passage, die al wat eerder begon dan waar wij begonnen te lezen (Heb. 3:7), spreekt hij ons aan als het volk van de Hebreeën die na de uittocht uit het slavenhuis veertig jaar door de woestijn trokken. De lens waardoor hij naar die woestijntocht kijkt is de lens van Psalm 95, die wij zojuist ook gezongen hebben. Deze psalm zet in met een uitnodiging om mee te gaan naar de woning van de Ene, Hij die de rots van onze vrijheid vormt, die de zee en het droge heeft gemaakt (Ps. 95:1-5), maar die ook als de God van dit volk met zijn hand het volk als een schaapskudde heeft geleid door de woestijn (Ps. 95:6-7).
[3] Maar dan herinnert de Psalmdichter er óók aan, dat het volk de Naam bij wie het leeft in de woestijn steeds weer op de proef heeft gesteld, alsof het de door Hem geschonken vrijheid eigenlijk niet vertrouwde, en met Hem heeft getwist. Typerend daarvoor zijn de plaatsnamen Massa, ‘beproeving’ en Meriba, ‘twist’ – of, zoals het in Hebreeën heet: ‘verbittering’ (Ex. 3:17; Ps. 95:8; Heb. 3:8.15). Het volk meende dat het niet meer kon drinken uit de bron die het voedde, en was zo verbitterd dat het veronderstelde dat er aan die lange tocht door de droge en gevaarlijke woestijn nooit een einde meer zou komen. Dat was niet alleen toen, maar, zo meent de prediker, dat dreigt ook nu: gebrek aan geloofsvertrouwen en teleurstellende ervaringen die omslaan in bitterheid frustreren de voortgang van de tocht van het trekkersvolk. Hartstochtelijk roept de psalm het uit: ‘heden, zo ge zijn stem hoort, verhardt toch uw harten niet!’ (Ps. 95:7d; Heb. 3:7b.4:7cd). De stem, die Mozes riep en die het hele volk aan de Sinaï ook gehoord heeft (Deut. 4:12), klinkt opnieuw, ook vandaag. Laat u zich dan toch door die Stem in beweging brengen, en zoek in de oproep die zij doet klinken toch geen voorwendsel, uw eigen, al dan niet vermeende frustratie bot te vieren! In de psalm trekt de Ene zelf zijn conclusie: ‘Ik zei: een volk met een dwaalhart, dat zijn ze. Zij kennen mijn wegen niet. Zoals ik heb gezworen in mijn toorn: als zij toch zouden binnenkomen in mijn rust…’: denk: ‘dan zal daar niets van terecht komen’, dus: ‘nooit gaan ze dan nog in tot mijn rust’ (Ps. 95:10b.11; Heb. 3:11;4:3cd.5). Die ‘rust’ is in de Psalm bedoeld als een rustplaats, een plaats in het land van belofte waar de Ene tenslotte wonen kan (vgl. Ps. 132), maar in de Griekse bijbel heeft die rust een wat andere betekenis. In de lezing uit het boek Deuteronomium die ik voor vanmorgen heb uitgekozen kom je die andere betekenis ook tegen. Mozes zegt daar: ‘tot nu toe zijt ge niet binnengegaan in de rust’ (en het erfdeel: een aan jou toegekend landstuk); ‘zijt ge de Jordaan overgetrokken (…), dan heeft Hij u rust gegeven van uw vijanden rondom, dat gij veilig zult zijn’ (Deut. 12:9-10): geen bedreiging van buitenaf dus meer. De Hebreeënbrief volgt de Griekse tekst van de Psalm, maar geeft daar nog een extra lading aan.
[4] De prediker associeert de rust namelijk met de sabbat. In het Lied van de zeven dagen aan het begin van de Bijbel is de zevende dag immers een dag van rust voor God zelf van zijn werken nadat hij in zes dagen zijn scheppingswerk voltooid had (Gen. 2:2; Heb. 4:4). In de boeken van Mozes heeft de instelling van de sabbat meestal de functie, de tijd van het geschapen leven te markeren: onze tijd als schepselen is niet eindeloos, ook niet ordeloos, maar vertoont een cadans, en wel zo dat we telkens op de zevende dag worden herinnerd aan zowel de feestelijke grens als aan de-zin-en-het-perspectief van onze arbeid: de dienst aan onze Schepper. Bij joden in de Griekse wereld, zoals Philo van Alexandrië, en ook bij onze prediker, krijgt die rust echter nog een extra dimensie. De zevende dag smaakt dan naar meer, verwijst óók naar een toekomst, naar het eeuwig leven, een rustpunt als voltooiing van alle aardse ‘onvolkomenheid’ [W. Klouwen]. En dat zet de toorn van de Ene, waarmee Psalm 95 eindigt, onder nog grotere spanning. ‘Dit volk / het luistert naar geen rede / hun wegen hebben zich verward / wie dwalen blijft, ver van mijn hart / zal nimmer komen tot mijn vrede’ (ber.): die vrede is dan de eeuwige vrede, die een volk dat zich vastzet in eigen frustratie, verbittering en geloofsafval dus eens en vooral misloopt. Er staat nogal wat op het spel!
[5] Maar onze briefschrijver-en-prediker heeft ook een argument voor de uitleg die hij hier geeft. Mozes kon nog concluderen, stelt hij, dat de generatie die in de woestijn aanhoudend in opstand kwam juist door die opstandigheid het land van belofte niet kon binnentrekken (Deut. 1:26; Heb. 4:6). Maar in de Psalm, die hij aan David toeschrijft (hoewel dat in het opschrift van Psalm 95 niet vermeld staat) is dat blijkbaar nog steeds niet het geval, want David voert een ‘heden, zo ge Gods stem hoort’ op dat blijkbaar nog steeds een heden was waarin de beloofde rust niet gekomen was. Als je de woestijnverhalen leest, kun je nog denken: ja maar straks, als de Hebreeën de Jordaan eenmaal overgetrokken zijn, dán treedt die rust in. Doch in de dagen van David was dat blijkbaar nog steeds niet het geval. ‘En als Jozua (in het Grieks luidt die naam: Jezus) hen al de rust had gebracht, had hij niet van een ándere dag, daarna nog, gesproken’ (Heb. 4:8). Welnu, die leeservaring kunnen alle lezers van Mozes en de profeten herkennen. In de Tora, de boeken van Mozes, blijft het land een land van belofte, mag zelfs Mozes-zelf daar niet binnenkomen en klinken alleen de voorschriften hóe het land te bewonen. De boeken van wat heet ‘de eerdere profeten’ (Jozua, Richteren, Samuël, Koningen) gaan daarentegen uit van een situatie op het land, waarop het volk zich niet houdt aan de instructies van Mozes en kans op kans verspeelt op een leven in gerechtigheid en vrede. In die spanning tussen belofte en kritiek, wet en profetie, bewegen teksten en lezers zich. Maar dat roept wel de vraag op: blijft belofte dan altijd alleen maar belofte, is zij nooit tot werkelijkheid geworden? Kijk, en nu kunnen we weer aanhaken bij wat ik aan het begin schetste als de hoofdtendens van de Hebreeënbrief: ‘zo resteert er voor het volk dus nog het sabbatisme. Want hij, die is binnengekomen in zijn rust, zou ook van zijn werken tot rust gebracht worden, net als God van zíjn werken’ (4:9-10). ‘Nu, wij hebben een overste over het heiligdom, die de hemelsferen is doorgegaan: Jezus, de zoon van God’ (vs. 14). Dat wil dus zeggen: het is niet waar, dat héél het volk alleen maar door eigen ongeloof en verbittering de rust misloopt, want weet: die ene zoon, Jezus, is opgestaan en ten hemel gevaren, leeft in hemelse streken al de rust die de schriften beloven, en is vanuit die hemelse rust onze overste die ons, wanneer wij daar fiducie in hebben, leiden zal. Er is een hemelse volkomenheid – onze schrijver noemt dat ‘sabbatisme’, een woord dat verder nauwelijks ergens opduikt –, en dus hoeven wij de wegen door woestijnen die wij op aarde gaan, niet zonder bestemming en eindpunt te gaan.
[6] Een opmerking hierbij over de vaststelling van de briefschrijver, dat David de beloofde rust in zijn dagen kennelijk niet kon vaststellen en daarom een níeuw ‘heden, zo ge zijn stem hoort’ aanvoerde. Het komt mij voor, dat dit te denken geeft over de houding van de schrijver tegenover de landbelofte in historische zin. In zijn dagen, waarschijnlijk ná de vernietiging van Jeruzalem en de tempel door de Romeinen en de vlucht van de rabbijnen door de linies heen, was er hoe dan ook weinig te verwachten van een nieuwe autonomie van het volk op het land dat de Romeinen kort erna Palestina zouden gaan noemen. En het overwicht dat hij geeft aan de volkomenheid in de hemelen, van waaruit Jezus als priesterlijke leidsman optreedt óver het onvolkomene van het bestaan van de Hebreeën-als-trekkersvolk, geeft toch wel een aanduiding dat hij er niet uitermate aan heeft gehecht. ‘Repos ailleurs’, rust élders, de lijfspreuk van Marnix van St Aldegonde, zou ook de zijne kunnen zijn. Nu sloot dat bij Marnix niet uit, dat hij als edelman ook vocht voor zijn bedreigde land. Hans van Oort heeft recentelijk een boek geschreven waarin hij betoogt dat evangelisten en apostelen welbeschouwd geen aanleiding geven om een christelijke legitimatie voor het zionisme te verschaffen, en zijn bevindingen komen wel overeen met de mijne. Let wel: ik heb het over een legitimatie. De betekenis van het land Israël voor veel joden wereldwijd kunnen we onderkennen, en in onderlinge contacten met hen ook verstaan en begroeten met zegenwensen van vrede. Maar dat is nog iets anders dan het ideologisch onderschrijven van claims op de gebieden die met een vals bijbelberoep ‘Judea en Galilea’ heten of zelfs op het hele gebied van het rijk van David, wat daarvan ook nog archeologisch aan te wijzen mag zijn. Terughoudendheid en nuchterheid zijn hier voor christenmensen op hun plaats, dat kun je tenminste vanuit de brief aan de Hebreeën zeker stellen.
[7] Ik spreek van ‘christenmensen’, en dat roept nog een andere vraag op. Letten we nog op het begin van onze lezing, waarop ik nog niet was ingegaan: ‘Laten we er daarom nu om bevreesd zijn – aangezien de belofte is nog uitstaat, “in te gaan in zijn rust” –, dat iemand van u blijkt achter te blijven. Want ook wij hebben die bevrijdende boodschap ontvangen, net als zij. Maar hún heeft dat woord-om-te-gehoorzamen niet gebaat, omdat hun horen ervan niet gepaard ging met geloof. En wij komen in de rust als mensen-die-geloven…’ (Heb. 4:1-3a). De prediker stelt hier een ‘wij’, die geloven in de rust élders, tegenover een ‘zij’, als degenen die verzuimen te gehoorzamen aan het woord dat de Stem tot hen spreekt en die ze wel gehoord hebben. Stelt hij hier nu die anderen, zeg: de joden, die níet gehoorzamen, tegenover onszelf, de christenen, die dat wel doen? Dat lijkt me een veel te simplistische voorstelling van zaken. Bedenk: het is een prediker, die tot de Hebreeën de schriften aan het uitleggen is. En dáár, in de schriften, staat het geslacht in de woestijn dat niet kon geloven in het land van belofte tegenover de minderheid van de verspieders die bleef volhouden dat het om een góed land ging, geschikt om te betreden – concreet waren dat Jozua en Kaleb (Numeri 14:24.30) –, en waar de eerste (de meerderheid) zou sterven in de woestijn zouden de beiden laatsten het land wél binnenkomen. Zo, zegt de prediker, is het nu nog. Wie hóórt naar het woord, kan ingaan, en laten we ons zorgen maken voor allen die nalatig zijn, die achter dreigen te blijven. Mij dunkt, dit gaat niet tussen joden als collectief daar en christenen als collectief hier, maar om een scheidslijn tussen horen en ongehoorzaam-zijn die dwars door de hoorders in alle gemeenschappen rondom het Woord heen kan lopen. Dat de prediker in Jezus een zekerheid en een vastigheid voor de volkómenheid van de belofte ziet, is een sterkte, maar biedt allerminst aan christenen een vanzelfsprekende voorsprong, zou ik zeggen.
[8] En zo rest ons alleen nog de vermaning, waarin onze lezing voor vandaag tot een afsluiting komt. De prediker eindigt met een waarschuwing, zoals hij ermee inzette. ‘Laten we ons er dan ijverig voor inspannen om in die rust binnen te komen, opdat niemand naar het voorbeeld van die opstandigheid zou vállen (Heb. 4:11).’ En op die vermaning volgt een ongekend krachtige aanduiding van de sprekende God: ‘Levend immers is het woord van God, werkzaam, scherper dan enig tweesnijdend zwaard dóórdringend tussen ziel en geestkracht’ – dat is: tussen dat wat je tot een levend wezen maakt (de ziel) en dat wat aan dat leven de juiste richting verschaft (de geest) –, gebinte [of, meer gangbaar: gebeente] en merg, een rechter over de opwellingen en overwegingen van het hart. Geen schepsel is namelijk verborgen voor zijn aanschijn, maar staat naakt en open voor zijn ogen [zoals een gelovige Jood op de grote verzoendag voor Hem verschijnt]. Voor Hem [voor het aangezicht van de Ene] leggen wij verantwoording af’ (Heb. 4:12-13). Met een krachtiger appel dan deze prediker biedt kan ik u vanmorgen niet aanspreken. In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.